Een zonnige zaterdagmiddag

Een zonnige zaterdagmiddag in de herfst. Dat onbestemde gevoel lijkt hem weer te overspoelen. Hij weet inmiddels dat bewegen helpt. Dus grist hij zijn fiets uit de schuur. Hij rijdt door de brandgang – het hek staat open- en langs de voorkant van zijn huis aan het spoor. Onder het tunneltje door en dan almaar rechtdoor.
Langs de straten waar straks de kerstlampjes in lange lianen langs de huizen slingeren. Hij fietst de voetbal velden en het kleine parkje met de vijver voorbij en passeert een laag flatgebouw. Op het middelste balkon ziet hij een oudere heer in een spierwit hemd en onderbroek de was ophangen.
Het fietspad maakt een bocht en leidt hem langs de basketbalkooi en de uitgeleefde studentenflat. Boven zich weet hij de ringweg terwijl hij onderlangs de kinderschilderingen en de graffiti  voorbij ziet komen. Dan laat hij de stad eindelijk achter zich en op die grens richting de landerijen ziet hij de begraafplaats. Hier fiets ik straks vaker. De gedachte schiet als een bliksemflits door hem heen. Dan vervliegt hij weer, even snel als hij opkwam, als een zweem parfum van een voorbijganger.
Het fietspad strekt zich in een lange baan voor hem uit en hij versnelt zijn tempo. Al vlug bereikt hij het fietsbruggetje. Daar zet hij zijn fiets neer en volgt de smalle weg langs het brede kanaal aan zijn rechterhand. Het ongeplaveide paadje is platgetreden en modderig. De zon heeft hier haar werk nog niet kunnen doen, belemmerd als ze is door de overhangende bomen.
Halverwege slaat hij linksaf het verharde fietspad op. Op het open terrein voelt hij de koesterende warmte van de zon op zijn huid. De wind streelt de haartjes op  zijn armen.
Dan verandert het ruime landschap en overheerst ineens de verfrissend dampige schaduw van de bomen. Hij ademt diep in en ruikt de kruidige geur van natte herfstbladeren. Langs de sloot ontwaart hij  de pas gemaaide rietpluimen op de wallenkant.
Bij de bocht van dit fietspad weet hij langs het andere kanaal een bankje waar hij eerder zat. Bezet helaas. Hij besluit  dan maar verder te lopen, terwijl hij kijkt naar het panorama dat zich aan zijn linkerkant uitstrekt als een schilderij.
De  nieuwbouw huizenrij die de stad afsluit als een zoom. Het kerktorentje van het dorpje dat nog net niet is opgeslokt door de steeds uitdijende grootmacht. De groene velden waar een boer zijn kans schoon ziet op deze droge dag. De boerderijen en de schapen op de dijk en in de verte de voortrazende auto’s, een streep trekkend door de vlakken groen.
Hij loopt verder en aan de andere kant van het fietspad  wordt zijn aandacht getrokken door een  onverwachte kleurexplosie. Paarse distels afgewisseld met al uitgebloeide witte pluisbroertjes. Struiken geelwitte kamille naast langwerpige oranjerode rozebottels. En, her en der, als een achteloos toegevoegd kleuraccent, een grote rode klaproos, in volledige overgave geopend naar de zon.
Sneller loopt hij nu, aangetrokken door de wetenschap van een ander bankje bij de sluis. Ook daar heeft hij pech. Er zit een meneer met een rood geblokt overhemd en een hond op zijn schoot. Hij  loopt door naar de brug. Hangend over de brugleuning staart hij naar de driesprong van waterwegen. Een grote vrachtboot nadert. De Volharding. Gewoon maar doorgaan, denkt hij, in beweging blijven.
Hij recht zijn rug en kuiert op zijn gemak terug naar zijn fiets.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.