Ik, Repelsteeltje

Opdracht: beschrijf een bekend sprookje vanuit het perspectief van de slechterik

Terwijl een alles verzengende woede in me opborrelt als een onstuitbare lavastroom, vanuit mijn middenrif mijn lichaam afgrijselijk pijnlijk openscheurt, weet ik dat dit het is. Dat korte moment vlak voor de dood, waarin als in een film gebeurtenissen voorbijtrekken voor de definitieve fade-out een feit is. Ineens zie ik mijn moeder weer, terwijl ze me toespreekt:
‘Jongen, groter dan nu word je niet. Wen er maar aan. Ter compensatie kreeg je bij je geboorte van Onze Lieve Heks een tovergave. Maar pas op: zodra iemand je werkelijke naam weet, verdwijnt je magische kracht.’
Die naam was mijn geheim. Die naam gaf me kracht. En die kracht had ik nodig, toen ik met lede ogen moest aanzien hoe al mijn klasgenoten groeiden als bonenstaken terwijl ik zo klein bleef als een peuter. Ze wisten mij en mijn magische kracht al gauw te vinden wanneer hun zakgeld weer eens op was of een afschuwwekkende pukkel hun wang sierde. Ik loste het allemaal voor hen op en hoopte in ruil op hun vriendschap.  Een vriendschap die helaas nooit kwam, ze vonden me te raar. Ik bleek slechts een gebruiksvoorwerp. Handig om te hebben als je het nodig hebt, om het vervolgens achter in de la neer te smijten. Maar zo makkelijk kwamen ze niet van me af. Geen vriendschap, dan ook geen gratis advies. In ruil voor mijn magie vroeg ik een stukje van henzelf, iets wat ze me niet graag gaven. Een zoen op de wang van een leuk meisje, het eten van een levende worm door die populaire pestkop.
Hoe ouder ik werd, hoe verfijnder mijn tegenprestaties. Het lezen van intieme dagboeken, het doden van een lievelingskonijn, het verscheuren van dierbare fotoalbums.  Het verklaart waarom ik geen maagd meer ben, hoewel ik verder in eenzaamheid mijn dagen slijt midden in het woeste woud. Heel af en toe begeef ik me onder de mensen en vervul ik wat wensen in ruil voor leedvermaak. Ik mag kortom niet klagen. Tot nu toe dan.
Het begon allemaal een jaar geleden. Ik drentelde wat door het dorp, toen ik opeens hoorde van de benarde positie van de molenaarsdochter. Die lapzwans van een vader van haar (hij betaalde me ooit met drie levende wormen en zijn gestoofde lievelingshond) had de koning wijs gemaakt dat zijn dochter goud kon spinnen van stro. Het arme schaap zat in overspannen toestand opgesloten in de zolderkamer van het paleis. De koning zou haar doden als ze hem geen goud kon schenken.
Opgetogen wreef ik in mijn handen terwijl ultieme tegenprestaties in mijn hoofd de revue passeerden. Toen ik om het hoekje keek of de molenaarsdochter inmiddels opschoot,  zag ik alleen een met tranen doordrenkte vloer van stro met daarbovenop een als een egel opgerolde, treurige gestalte. Ze keek op toen ik begon te praten.
‘Als je wilt kan ik je helpen, in ruil voor je eerstgeboren kind.’
Ze ging natuurlijk meteen akkoord, wat moest ze anders? Ik stuurde haar weg en in een mum van tijd lag de kamer vol goud. De koning was zo blij dat hij met haar trouwde en ze leefden nog lang en gelukkig. Voor een jaar dan. Daarna baarde de nieuwbakken koningin een prachtige prinsenzoon en kwam ik mijn verdiende loon opeisen. De kleine lettertjes van onze overeenkomst waren waarschijnlijk niet helemaal doorgedrongen, want ze verbleekte voor mijn ogen.
‘ Nee, doe mij dit niet aan. Laat me alsjeblieft mijn kind houden’.
Normaal heb ik er geen last van, maar iets in haar smeekbede deed me smelten. Voer voor psychologen waarschijnlijk, maar ik zwichtte zonder te weten waarom.
‘ Vooruit, ik geef je nog een kans. Als je binnen vijf dagen mijn naam raadt, mag je je kind houden.’
Zeg nou zelf, in theorie een prachtoplossing. Ik lijk grootmoedig, terwijl ik weet dat niemand – behalve mijn moeder zaliger –  mijn naam kent. En ik beleefde er nog aardig
wat lol aan. Vindingrijk was ze wel, onze molenaarsdochter. Uit alle delen van het land kreeg ik namen te horen. Je staat versteld wat sommige ouders hun kinderen aandoen. Natuurlijk was geen enkele naam de mijne. Me verkneukelend danste ik na vier dagen rond mijn huisje in het bos.  Ik kon het niet laten, ik moest mijn euforie kwijt, dus zong ik luidkeels:
’Niemand weet, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet.’
En juist dat deed me de das om. De volgende morgen kwam ze, in haar koets met de laatste lijst namen die ze me eindeloos voorlas. Tot die ene naam als een pijl door mijn lijf schoot.
‘Heet je soms Repelsteeltje?’
Ik stampte op de vloer van woede en wist: dit is het einde. De film is afgelopen.
De grond onder mijn voeten scheurt open, mijn handen grijpen mijn linkervoet en ik scheur mijzelf in tweeën terwijl ik kermend verdwijn in het grote niets daar beneden.