Op de boot

Opdracht: beschrijf een gebeurtenis vanuit drie verschillende perspectieven.

Karel
‘Hé peoples, we zitten beneden. De laatste die zit haalt de
biertjes.’ Zo, dat heeft hij even mooi geregeld. Het bootkaartje lukte
nog net met wat cash van het statiegeld.
Thank God had hij daar nog een aardige voorraad van liggen thuis.  Al die ongein omdat zijn ouwe heer ineens zo
moeilijk doet. Hij hoort het hem nog zeggen, met die geaffecteerde oud geld-stem
van hem:
‘Jongeman, vanaf nu houden we je toelage in. Het wordt tijd
dat je op eigen benen leert staan. Ga gewoon aan het werk in plaats van
vergeefs investeren in al die mislukte bedrijfjes van je.’
Zo unfair, kan hij er wat aan doen dat het recessie is? Hij heeft gewoon pech gehad met zijn start-ups. Dat zijn bloedeigen vader hem dit
aandoet. Dezelfde vader die altijd hamerde op het aanschaffen van kwaliteitsproducten,
niet dat goedkope spul voor het klootjesvolk.
Moet je onze Karel nu zien, hij doet tegenwoordig noodgedwongen zelfs
boodschappen bij de Aldi. Zoekt half verlepte groenten uit tussen de
uitkeringstrekkers en andere asocialen. Wat daar rondloopt! Gelukkig is hij nog
geen bekenden tegen gekomen. Al die B-merken, hij is het beu. De laatste keer
dat hij Champie dronk is ook al weer maanden terug. Anyhow, dit weekend is het weer
even beesten met de boys.Nog een geluk dat hij zijn vader zo ver kreeg om het familiehonk op Schier uit te lenen. Hij heeft moeten praten als Brugman, de vorige keer
schijnt hij de boel niet zo netjes te hebben achtergelaten. Hij kan het zich
niet herinneren, bovendien, pa en ma hebben toch zo’n schoonmaakmiep op het
eiland? Die krijgt daar ongetwijfeld goed voor betaald, mag ook wel eens wat
doen voor haar centjes. Soit. Hopelijk houden de jongens van de jaarclub hem
vrij dit weekend, tenslotte heeft hij de gratis logies geregeld. Hij zal ze
daar nog even fijntjes aan herinneren.
Kijk eens aan, daar is nog voldoende plek. Ze kunnen mooi in de hoek zitten, er zijn nog net twee tafels vrij als hij die geitenwollen sok met zijn boeken en muffe rugtas kan laten wieberen.

Egbert
Verstoord kijkt hij op van zijn werk. Wat een geschreeuw, terwijl
hij apart naar beneden is verkast om nog even rustig te kunnen werken. Staat
daar die bal te blaten, daarnet bij de kaartverkoop was hij ook al zo luid
aanwezig. Samen met z’n rechtse vrindjes, allemaal van die kakkers met ongetwijfeld
van die snelle ozonlaagslurpers  als auto.
Lekker stel, wat zou het zijn voor groep? Zeker geen voetbalteam zoals je die
hier veel ziet. Die duiken allemaal in de kampeerboerderijen aan de rand van
het dorp. Deze lui trekken daar duidelijk hun neus voor op. Ze lijken te oud voor studenten, al zouden ze het goed doen als corpsballen. Een oude jaarclub misschien? Die blijven elkaar altijd trouw heeft hij wel eens gehoord. Bezoeken elkaars trouwerijen, schuiven hun vrindjes lucratieve baantje toe, gaan samen golfen en lenen onderling hun jachten uit. Patjepeeërs met gouden lepels in de mond.
Nou komt die bal ook nog deze kant op. Niet opkijken, gewoon negeren. Dan hoort hij die bekakte stem weer.
‘Zeg, wij luitjes zijn hier met een grote groep. Wij willen graag samen zitten, kun jij elders even een plekje zoeken?’
Wel heb ik ooit, het lef van zo’n gozer! Net doen of mijn neus bloedt is waarschijnlijk de beste strategie.
“Nee, dank u beleefd meneer. Ik zit hier comfortabel en geriefelijk. Maar u kunt
gerust aanschuiven met uw gezelschap.’
Hij schuift naar de zijkant van de bank, vouwt zijn detailkaart op en stapelt wat schriften op elkaar.

Jannie
Wat een drukte ineens, en ze loopt al achter met alles. Dat
onverwacht mooie weekendweer trekt altijd veel dagjesmensen. Zal je net zien. Normaal heeft ze alle tafels weer leeg en schoon voor de nieuwe bootgangers binnen
stromen. Dat gedoe met die koffiemachine ook. Wat is er mis met  filterkoffie? Al die nieuwerwetse onzin met gestoomde melk en smaakjes door de koffie. Ze zucht, stapelt wat kopjes in elkaar en haalt met een natte doek een veeg over de tafel net voordat een lange jongen met een gitaar neerploft op de bank.
Op de volgende tafel moet ze eerst puinruimen. De mensen zijn tegenwoordig zelfs te beroerd om hun eigen troep in de prullenbak te gooien. Vaak zijn het dan ook nog zelf meegebrachte etenswaren. Ze propt een bruine bananenschil, een speculaasverpakking en twee pakjes Fristi in de kleine
afvalemmer naast de bank. Die moet straks geleegd als ze aanleggen.
Ze hoort geschreeuw en kijkt op. Ja hoor, daar heb je hem
weer. Die stem herkent ze uit duizenden. Zoon van de eilandgasten van die
rietgedekte bungalow aan het Vuurtorenpad.  Wat een hekel heeft ze aan die vent. Altijd een grote bek en haar behandelen als een voetveeg. Ze hoort het hem nog zeggen, al is nu zeker een paar jaar terug: ‘Zeg cateringvrouwtje,  krijgen wij nog een schone tafel of hoe zit dat? Daar betaal ik geen duur bootkaartje voor.’  Eikel. Ze kijkt hem na.
Nee, dat is toch niet te geloven? Hij wil die man aan de
hoektafel wegsturen. Ze kent hem wel, zo’n wetenschapper van dat
onderzoekscentrum in de oostpolder. Hoofdschuddend stapelt ze nog wat kopjes en
een nauwelijks gedronken glas cola op haar dienblad. Even horen hoe dat
afloopt. Rondkijkend loopt ze naar het laatste tafeltje in de hoek. Dan
struikelt ze over iets op de grond. Het dienblad schiet uit haar handen en glaswerk
vliegt door de lucht. Voor ze neerkomt ziet ze hoe het glas cola in de schoot
van de zoon  van de eilandgasten belandt.