Hondje

Het lijkt of ik onder een boog loop, een boog bedekt met bladeren. De zon laat de blaadjes glanzen. Als ik omhoog kijk is het net of ik omringd word door een grote gouden paraplu.
Alleen in de herfst is het park zo mooi.  Maar ik wou dat ik de blaadjes kon vastplakken aan de bomen. Dan hoef ik ze ook niet te verzamelen voor het herfstbakje op school. Dan kan ik altijd naar het park gaan om ze te bekijken. Wanneer ik maar wil. Of is het dan ook aldoor zo koud als nu? Dan is er natuurlijk ook geen zomer, geen lente. Dan mis ik de bloesems van de kastanjebomen en die lieve witte sneeuwklokjes. Geen pluizige babyeendjes.  Niet meer picknicken op het grasveld.
Nee, dan toch maar liever het herfstbakje. Ik raap een bruin kastanjeblad op  en stop het in de plastic tas. Hij zit al aardig vol. Een hele grote witte plastic tas. Hema staat er met rode letters op geschreven. Het is de tas waar mijn verjaardagstaart in zat. Knalroze was ie, met een prinses erop en tien kaarsjes. Mama vond hem prachtig. Hij smaakte lekker, vooral de slagroom.
Ik trap op droge blaadjes die knispergeluidjes maken en tuur naar de grond. Liggen er nog kastanjes? Mama zegt van niet. Ze zegt dat die tijd alweer voorbij is, maar dat geloof ik niet. Er liggen nog zoveel blaadjes op de grond.
Grappig is dat, met mijn voeten stampen op de bladeren. Een eindje verderop liggen ze op een hoopje, bijeen geblazen door de wind. Als een schaatser spreid ik mijn benen en glijd ik door de dorre stapel. Linker been opzij, rechter been opzij. Elfstedentocht in het plantsoen. De wind blaast haren voor mijn gezicht, ik duw ze achter mijn oren. Ik mis een muts. Mijn oren zijn koud .
In de verte hoor ik het geluid van een brommer. Lopen in het bos is toch fijner, daar zijn geen geluiden van brommers of auto´s. Later als ik groot ben ga ik in een bos wonen. Dan hoef ik niet te wachten tot mama eindelijk  een keer zin heeft om met me in de auto naar het bos te gaan.
Als ik groot ben word ik boswachter en ga ik nooit meer naar school. En nooit meer huiswerk maken.
Verderop zie ik weer een vloerkleed van blaadjes. Ik doe mijn beide handen op de rug terwijl ik de plastic zak stevig vast houd en er doorheen schaats.
Ineens stoot mijn voet tegen iets hobbeligs. Het voelt zacht en stevig tegelijk. Ik draai me om en zoek met mijn voet in de stapel. Iets harigs komt tevoorschijn. Lichtbruin met witte streepjes. Ik buk en schuif met mijn handen wat blaadjes opzij. Het lijkt wel een dier. Voorzichtig haal ik nog meer blaadjes weg en zie een hoofdje met twee kleine oren. Het is een hondje. Een schattig klein hondje met een rode halsband om. Hij ligt heel stil, zijn bruine oogjes zijn half gesloten. Ze kijken niet echt.  Ik voel tranen in mijn keel en probeer ze weg te slikken. Dat lukt niet goed. Voorzichtig raak ik het hondje aan. Hij voelt zacht en harig. Hij ziet er nog heel gewoon uit.  Dat betekent vast dat hij nog niet zo lang dood is. Ik moet denken aan het skeletje van een konijn dat ik eens zag. Ik aai over het hoofdje van de hond. Er gebeurt niets. Natuurlijk niet. Zielig voor het hondje. Hoe zou het komen dat hij dood is? Ik zie nergens bloed. Wat moet ik nu doen, ik kan hem  hier toch niet zo alleen laten liggen? Was mama nou maar meegegaan.
Achter me hoor ik geritsel. Ik draai me om en zie iets bewegen.  Een hoofd schiet weg achter een dikke boom. Iemand verstopt zich.
‘Kom er maar achter vandaan, ik zie je heus wel, ’roep ik bozig. Langzaam komt het hoofd tevoorschijn. Het is een jongen en hij kijkt een beetje bang. Hij draagt een dikke gebreide trui en een spijkerbroek. Hij heeft grote bruine krullen en is ongeveer even oud als ik. Dat komt goed uit. Hij kan mij mooi helpen.
‘Kom eens gauw hier, kijk eens wat ik vond.’
Aarzelend  loopt de jongen naar mij toe met één hand op zijn rug. Als hij dichterbij komt zie ik ineens waarom. Achter zijn rug houdt hij een riem. Een rode hondenriem. Snel kijk ik naar het hondje. Het is dezelfde kleur. Het halsbandje heeft precies dezelfde kleur rood als de riem. Ik draai me weer om naar de jongen. Zijn wangen zijn nu ook rood. Heel erg rood. Hij kijkt naar de grond en frummelt met zijn handen aan de riem. Mijn hart begint sneller te kloppen en ik krijg het warm. Ik ga staan en doe mijn armen over elkaar. Zo doet juf altijd als ze boos is. Ik maak me zo lang mogelijk en spreek hem streng toe.
´Heb jij hem dood gemaakt? Nu zeggen, anders haal ik de politie.’
Mijn stem trilt een beetje en klinkt vreemd hoog. De jongen kijkt nog ongelukkiger dan hij al deed. Hij wil wat zeggen maar er komt geen geluid uit zijn mond.
‘Toe dan, ik heb geen uren de tijd. Zeg op.’
Dan begint hij te huilen en te praten tegelijk. Ik kan hem moeilijk verstaan.
‘Het is mijn schuld, ik rende de heuvel op en Robbie kwam maar niet. Hij bleef beneden staan wachten. Hij had zeker geen zin in klimmen. Dus riep ik hem, steeds opnieuw. En eindelijk kwam hij in beweging. Maar halverwege de heuvel..’.  Hij begint nog harder te huilen.
‘Halverwege de heuvel, ga door, ’zeg ik ongeduldig.
´Toen hij halverwege was bleef hij weer staan en zakte zomaar in elkaar. Hij bleef stil liggen en toen ik ging kijken was hij dood. Helemaal dood. Het is mijn schuld, ik had de heuvel niet op moeten lopen. Ik had hem niet moeten roepen.´
De jongen veegt door zijn ogen, haalt zijn neus op en zwijgt. Hij huilt niet meer. Ik kijk hem nadenkend aan.
´Hoe oud was jouw hond?’ De jongen haalt zijn schouders op.
‘ Ik weet het niet precies. Hij woonde al bij mijn ouders toen ik geboren werd. In mensenjaren is hij een bejaarde zegt mijn vader altijd.’
‘Dan weet ik het, ’roep ik uit, ‘dan was het vast een hartaanval. Die kreeg mijn opa ook toen hij heel oud was. Zo maar ineens was hij dood omdat zijn hart stopte met kloppen.’
‘Zou je denken? ’ De jongen kijkt opgelucht.
‘Tuurlijk. Iedereen moet ergens aan dood gaan als hij oud is. Jouw hond dus aan een hartaanval. Daar kan je niets aan doen. Dat is gewoon zo. Maar waarom heb je hem eigenlijk verstopt?’
‘Ik wist niet wat ik moest doen. Ik was zo geschrokken. Toen heb ik hem voorzichtig neergelegd en toegedekt. Ik durfde niet naar huis met een dode hond.’
Hij wrijft zijn handen, steeds opnieuw. De rode riem slingert heen en weer. Ik kijk naar hem en dan naar de hond.
‘Ik ga wel met je mee naar huis als je wilt. Dan vertel ik je ouders van mijn opa en zijn hartaanval. En dat jij er niets aan kon doen. Goed?’
De jongen knikt heftig met zijn hoofd.  Ik schud mijn plastic tas leeg en samen tillen we Robbie erin. De jongen draagt hem voorzichtig met beide handen onder zijn lijfje, alsof het een taart is. Samen lopen we naar de uitgang van het park. De zon gaat al onder, het wordt kouder.
‘Weet je,’ zeg ik, ‘eigenlijk is het wel mooi dat hij nu dood ging. Nu het herfst is bedoel ik. Terwijl het zo prachtig was om hem heen. Dat dat het laatste was wat hij zag.
Als ik oud ben wil ik ook dood gaan in de herfst. ‘