De ober

Hij staat buiten bij de voordeur van het hotel, het terras overziend.  Een rijzige gestalte, licht krom gebogen zoals je dat vaker ziet bij lange mensen, alsof ze zich schamen voor hun lengte en er daarom onbewust iets van af willen halen. Zijn ooit pikzwarte haar nu fors uitgedund en met grijstinten doorkneed, als altijd strak achterovergekamd en vastgeplakt met brylcreem. Hij draagt een zwart glimmend maatpak met vlinderdas. Op de ellebogen schemert het wit van een  licht gesteven overhemd. In de verte ziet hij de bussen aankomen. De moderne bus met gasten voor het trendy hotel aan de overkant stopt als eerste. Pal daar achter de oude, licht aftandse jaren vijftig bus met de gasten die logeren in dit eeuwenoude hotel. Gasten die komen voor de sfeer van de donkerbruine gelagkamer met z’n houten toog, delftsblauwe tegeltjes en antieke Friese staartklok. Een plek waar de historie ingebakken zit en de rookgeur ook na de verbanning van sigaretten nog steeds aanwezig is.
Twee meisjes in fel gebloemde zomerjurken schuiven aan een tafeltje. Even lijkt het of hij het niet ziet, dan loopt hij sloffend en iets gebogen naar hen toe. ‘Een heel goede morgen belles mademoiselles. Waarmee kan ik u beiden van dienst zijn op deze betoverende ochtend?’  De twee jonge meiden giechelen. De meest blonde van de twee zegt: ’ Twee cappuccino graag.’
De ober knakt zijn middelvingers en kucht.
‘Dan moet ik u beiden toch echt verwijzen naar mijn edele collega aan de overkant. Hij serveert uw kostbare drankje desgewenst zelfs met geitenmelk. Wij offreren in dit etablissement slechts koffie. Het staat u geheel vrij  om hier naar keuze melk of suiker aan toe te voegen. En ook om het bijgeleverde speculaasje al dan niet te nuttigen. Twee koffie dan maar? Uitstekende keuze dames.’
Hij draait zich om en sjokt naar binnen. Ondertussen wordt het drukker op het terras. De pas gearriveerde gasten uit de bussen verspreiden zich over de beide terrassen aan weerskanten van de weg. Als de kelner de twee kopjes koffie heeft uitgeserveerd wordt hij driftig gewenkt  door een meneer met  een mobieltje aan zijn oor. Hij ploft neer  in een stoel terwijl hij zijn grote canvas rugzak op de grond zet. ‘Een moment,’ zegt hij in zijn telefoon terwijl hij  de mobiel van zijn oor haalt en de ober aankijkt. ‘Ik zou graag iets eten. Heeft u een stokbroodje brie voor mij?’ Een diepe zucht klinkt over het terras.
‘Meneer, voor zulke frivoliteiten verwijs ik u gaarne naar mijn collega aan de overkant. Daar kunt u ook terecht voor geprakte olijven en geroosterde boompitten.’ De ober vouwt zijn armen langzaam over elkaar en wacht af.  ‘Kunt u me dan misschien de kaart even laten zien?’
‘Meneer, die kaart is al jaren hetzelfde. Wij serveren een kadetje ham of kaas, tomaten- en groenten soep, oftewel  potage de légumes, met zelf gedraaide gehaktballen en verder  boterhammen met kroket.´
De man krabt op zijn hoofd en vraagt: ´Heeft u niets vegetarisch?’
‘Met uw welnemen meneer, voor zover ik weet is ons broodje kaas vervaardigd zonder enig dierlijk element. Daarnaast ben ik er zeker van dat de keuken op mijn verzoek de ballen probleemloos uit uw soep kan verwijderen.´
´Doet u dan maar drie bolletjes kaas, een glas karnemelk en een koffie alstublieft´ zegt de man berustend.
‘Uitmuntende keuze meneer, en mijns inziens getuigend van een gezonde Hollandse eetlust. Aprés nous le déluge, of niet soms?’ Met een kleine glimlach om zijn mond keert hij hem de rug toe schuifelt het hotel in.