Ossenbloed

Als ik nogmaals mijn ogen open doe is het minder donker dan voorheen. Auto’s met brandende koplampen in mijn blikveld. Een van de auto’s heeft een lamp op het dak. Dat licht is fel en knippert, het flitst van rechts naar links. Het doet pijn aan mijn ogen en ik wend mijn blik af. Het monotone deuntje van slechts twee afwisselende tonen is gelukkig gestopt, maar dat indringende  snerpende geluid is geen verbetering. Wie gaat er nu midden in de nacht boren of zagen? Het bonkt in mijn hoofd. Ik moet er wat van gaan zeggen.
Moeizaam plaats ik mijn beide handen naast mijn lichaam en druk me langzaam op in zithouding.  Mijn ledematen kraken. Met steun van de eindeloos lange ijzeren leuning lukt het me te gaan staan. Vreemd dat de leuning  slechts tot mijn knieën reikt. Mijn hoofd bonkt nog steeds. Ik raak de bonkende plek aan. Het lijkt vochtig. Mijn hand is rood als ik hem terug trek. Hij voelt warm en plakkerig. Ossenbloed rood. De kleur van de balken in de woonkamer van de boerderij.
Een jongeman in een felgeel pak met strepen loopt op me af. Wat hij zegt dringt niet tot me door. Mijn hersens lijken met watten omwikkeld. En jonge mensen praten altijd zo snel.
De jongen heeft een sikje onder aan zijn kin. Mooi  woord, sikje. Heeft zo’n baardje iets te maken met een geitje?  Ons geitje had ook zo’n sikje. Grappig. Hoe ging toch dat liedje? Geitje heeft van de knolletjes gevreten en daarom dommedommedom.
Opletten nu, de jongen zegt weer wat. Iets over zingen. Hij helpt me overeind, geeft me een arm en brengt me naar een krukje. Wat een lieve jongeman is het. Hij frunnikt aan mijn hoofd. Dat prikt een beetje. Ik laat hem maar begaan, hij bedoelt het goed. Als hij zich over me buigt zie ik een oorbel. Ach natuurlijk.
´Ben jij misschien homofiel? Jullie zijn altijd van die lieve jongens vind ik. Behalve Paul de Leeuw dan en die praat ook veel te snel.´  De jongen lacht en zegt weer wat. Slechts flarden dringen tot me door. Even wachten. Wegbrengen. Ik voel vaag dat de woorden belangrijk zijn. Mijn hoofd doet nog steeds pijn. De jongeman  is verdwenen achter de auto´s. Mijn huid voelt klam en zweterig. Ik sta op en loop langzaam heen en weer om wat verkoeling te krijgen. Dat helpt niet, de zon is echt verzengend heet. Ik knoop mijn jas los en doe hem uit. Ook mijn wollen sjaal gooi ik af. Nog steeds warm. Dan ook maar mijn vest uit en daarna mijn jurk. Nog een geluk dat het die met klittenband is, daar kan ik zo uitstappen. Ik voel een briesje over mijn buik blazen.
Dan komt iemand aanrennen. De jongeman met het sikje. In zijn hand heeft hij een zilveren deken. Hij wikkelt hem om mij heen. De deken knispert en doet me denken aan de doppen van melkflessen. Blauw zijn ze, met zilver aan de achterkant. Yoghurt heeft groene doppen en karnemelk rode. ´Houd jij van karnemelk?´, vraag ik. Hij neemt me mee naar een hoge gele auto. Aan de achterkant van de auto staan twee deuren opengeklapt. Daar moet ik instappen. Voorzichtig helpt de jongen me op een bed. Hij praat op een zachte en vriendelijke toon tegen me. Hij stopt me in, net als mama doet als ze me naar bed brengt. Ik voel een prikje in mijn arm. Een druppel op mijn gezicht. Slaperig veeg ik het weg en bekijk mijn vingers. Ossenbloed.