De wind

Ze staat stil. Met haar benen wijd, de voeten stevig in het zand verankerd ziet ze uit over het verlaten strand. In lange strepen razen slierten zandkorrels voorbij, voort geblazen, steeds maar voort. De lucht is overwegend grijs en grauw. De woeste golven doen telkens  een oorverdovende poging aan land te komen. Boven de branding hangt een meeuw. Even lijkt het of hij niet verder kan vliegen, dan vindt hij een adempauze in de lucht en zwenkt  weg.
Ze spreidt nu ook haar armen. Voorzichtig leunt ze naar voren. Een sterke tegenkracht duwt  terug  en houdt haar in evenwicht. Voor even is ze los van alles. Van het zwarte gevoel van binnen. Van het doel van haar komst. Het lijkt of alle gedachtenspinsels wegblazen. Dan veert ze weer rechtop. Haar haren wervelen  alle kanten op en slaan in haar gezicht. De lichtgewicht regenjas klappert om haar lichaam. Met moeite duwt ze de tegenstribbelende haren in de capuchon van haar jas en trekt het koord strak aan. De wind is overal. Zand striemt langs haar gezicht en ze voelt het prikken op haar benen. Ze kijkt  omlaag. Zandsokjes om haar blote voeten en enkels.
Nu, denkt ze. Nu moet het gebeuren. Ze slikt en vermant zich. Ze voelt even of het er nog zit, tegen haar hart gedrukt achter de rits van haar windjack. Dan gaat ze op pad. Ze besluit om tegen de wind in te lopen. Eerst het zuur, dan het zoet. Dat zei haar moeder altijd.
De branding is een witkoppige massa. Ze ploetert in een cadans van moeizame stappen voorwaarts, op zoek naar een geschikte plek. In de verte ziet ze iemand lopen. Dat betekent nog even wachten. De persoon komt  dichter bij. Ze ontwaart een ranke gestalte in een fluorescerend  roze windjack . Pas als ze elkaar vlakbij genaderd zijn ziet ze het.  Het is het meisje uit de ontbijtzaal. Ze zet haar pas aan en loopt kort knikkend voorbij.
Het meisje haalt haar in.
‘Hallo, wat grappig om jou hier te zien! Wat een wind. Ben je even lekker aan het uitwaaien?’ Ze knikt. Ze wil iets zeggen, maar het lukt haar niet. Ze knikt weer, glimlacht en loopt door.
‘Weet je wat, ik wandel gewoon lekker mee. Gezellig toch, lopen we richting het paviljoen. Ze hebben daar super lekkere cappuccino.’
Dit kan niet waar zijn, denkt ze. Dit wil ik niet, niet nu. Ik wil nu doen waar ik voor gekomen ben. Ze staat  opnieuw stil en kijkt het meisje aan.
‘Ik wil dit niet’, zegt ze zacht. Het kind kijkt haar met open mond en grote ogen aan.
‘Ik wil dit niet’, zegt ze nog eens, indringender nu.
Nog steeds geen reactie. En dan gebeurt het.  Ze weet niet wat er in haar vaart, maar het lijkt vanuit haar tenen te komen. Ze steekt haar handen in de lucht en begint te schreeuwen. Als een vulkaanuitbarsting stromen geluiden uit haar keel. Alle ellende van de afgelopen weken borrelt op uit haar lijf en wordt op de klanken van haar stem meegevoerd met de wind.
Ineens is het over. Ze wordt stil. Haar hart klopt in haar keel, haar knieën en benen trillen. Vermoeid zakt ze ineen op het zand en ziet in de verte langs de vloedlijn een roze windjack op en neer bewegen.  Ze draait haar rug naar de wind. Nu, denkt ze en pakt met trillende vingers het papier uit haar borstzak.
De uiteinden klapperen. Voor de laatste keer bekijkt ze het korrelig vage zwart–wit beeld. Ze streelt het kleine wipneusje, het gebogen knietje. Ze drukt een kus op het minieme lijfje en vouwt het papier met een beslist gebaar dubbel.  Ze scheurt het doormidden, en nog een keer en nog een keer en nog een keer. Dan staat ze op, opent haar beide handen en ziet de snippers  wegvliegen.
Ze draait zich om en laat de wind haar terugvoeren.