Weg

Beeldgedicht bij Blauwe namiddag van Aat Verhoog

 

Het lijf als een ingezakte soufflé
aan de stoelzitting vastgekleefd
op het snijvlak van kiezels en bruisend nat
door een tedere bries omhuld

op je zetel van breekbaar luciferhout,
Mondriaan zonder primaire kleur,
hang je woordeloos weg van wereld te zijn
in verzonken gedachten verstrikt

wat liet je achter, wie misschien jou
welk rotsblok knakte je steel,
waar ketste je steen het vensterglas

de mond een streep de arm als
winkelhaak om je hoofd
de ogen op zwart alsof je er even
niet bent of nooit weer

slechts een been doet bevallig aan ballet
in pas de deux met je voet
in besef van gedwongen beweging

ooit