Compilatie

Een jaartje weg

Halverwege 2009 vertrok ik met mijn partner Petra en jongste zoon Wouter naar Californië waar we een jaar verbleven. Petra werkte aan Stanford University, Wouter ging naar school en ik vulde mijn sabbatical leave met vrijwilligerswerk, lessen op Stanford en het schrijven van bijna veertig rondzendbrieven. Hieronder volgt een selectie uit die brieven.

Afgelopen dinsdag sloten we dan eindelijk definitief de deuren van ons huis in Groningen.
Ons huis dat nog nooit zo schoon en opgeruimd is geweest in al die dertien jaar dat we er wonen. Je moet wel een beetje gek zijn om juist dan te vertrekken.  Over een week komt onze onderhuurster aan en krijgt ze de sleutel van buurvrouw Rietje. Mijn vader en broer kwamen ons halen om alle zeven koffers en ons vieren naar het station te brengen. Oudste zoon Jesse helpt ons de eerste maand inkwartieren. Op het station kregen we vervolgens toch echt het  ’ik vertrek’- gevoel.  Alleen dan zonder camera’s gelukkig. Uitgezwaaid door familieleden en hier en daar een traan vertrok onze karavaan naar Schiphol.

We zijn veilig geland op het vliegveld van San Francisco. Over de vliegreis wil ik alleen melden dat het aan te raden is altijd een rechtstreekse vlucht te boeken, maar dat we uiteindelijk toch nog aankwamen.
Eindelijk is het  zover, we hebben een nacht doorgebracht in ons nieuwe gemeubileerde huis in Vine Street, Menlo Park. Het is een dorpje dat ligt in het hart van Sillicon Valley. Het  zit vastgeplakt aan het  yuppiestadje Palo Alto, computernerd-Walhalla en vestigingsplaats van Facebook.

Wouter nestelde zich meteen in zijn eigen slaapkamer waar een echt bureautje met prikbord staat. Zijn ansichtkaarten van juf Judith en oma Lien werden opgeprikt, en ook de prachtige boekenlegger van Elles met foto’s van hem en boezemvriend  Lucas.  Daarna pakte hij zijn koffers uit: alle onderbroeken op een hanger en toen er voor de broeken geen plaats meer was hing hij die gewoon over de kleding rail. Op alle laatjes plakte hij papiertjes  waarop staat wat er in zit: ‘sokke, balonen, lego en huis, sportspulen, van alles.’  In die laatste la vond ik later zijn vuile en schone pyjama’s,  naast nog een heleboel andere dingen. Heel handig.

Inmiddels zijn we helemaal gesetteld en ontzettend blij met ons optrekje. We hebben erg geboft met de locatie. Dit is een heel rustige, groene en veilige buurt waar de (veelal) koopwoningen allemaal vrijstaand zijn en  de verkoopprijzen liggen tussen de 1 en 4 miljoen dollar. We wonen dus echt op stand. Elke avond maken we een wandelrondje door de buurt en wat opvalt is dat bijna ieder huis een basketbalnet heeft. Ziet er erg gezellig Amerikaans uit. Jesse oefent nu regelmatig zijn worpen. Als we bij de hier zo populaire  yard sale  een op de kop kunnen tikken horen we er helemaal echt bij hier.

Maandag kreeg Petra de sleutel van haar werkruimte op Stanford. Ze zit in het hoofdgebouw van de campus, vlakbij een grote muurschildering die op veel ansichtkaarten staat. En vlak bij de beeldentuin van Rodin. Dat volgens de informatieglossy  van Stanford  de grootste hoeveelheid beelden van de beeldhouwer buiten Parijs tentoonstelt.

Maar wij hechten er meer aan dat ze heeft kunnen regelen dat we allemaal gratis mogen sporten op de Stanfordcampus. Dat is erg luxe, want de voorzieningen op de campus zijn geweldig. Stanford is een rijke privéuniversiteit en dat zie je aan alles. De sportfaciliteiten zijn van wedstrijdniveau en erg goed onderhouden. Dus gisteren is Petra met Jesse gaan fitnessen en zijn Wouter en ik gaan zwemmen in een heel groot wedstrijdbad. Even wat beweging na al dat gerij in de auto en teveel eten en drinken vanwege de absurd grote porties die je hier geserveerd krijgt.

En dat bevalt enorm. Ook al is het even wennen aan de nieuwe regels.  In het zwembad kreeg Wouter voor de derde achtereenvolgende dag (we zwemmen om de dag en zijn al drie keer geweest) een waarschuwing van de badmeester. Hij kan inmiddels  al prima opdreunen wat niet mag: niet duiken, niet van de kant afspringen in het ondiepe, niet rennen buiten het bad en niet op een drijfplankje springen.  Amerikanen zijn erg voorzichtig, zullen we maar zeggen.

Maandag zijn we naar de school van Wouter gegaan, om hem aan te melden voor het nieuwe schooljaar.  De school is handig gelegen om  de hoek van ons huis  en we kunnen er lopend naar toe. Het ziet er allemaal erg gezellig uit. Buiten zijn allerlei sportveldjes en lange banken onder een afdakje waar geluncht wordt. Het hoofd van de school vertelde dat de kinderen daar zomer en winter lunchen.

Vandaag begonnen we aan het meest spannende moment tot nu toe in ons Amerikaans avontuur: Wouters eerste  schooldag. In het al eerder genoemde ‘ Ik vertrek’- programma dat ik ter voorbereiding gretig bekeek was dit altijd een van de meest belichte onderdelen. Alle ingrediënten voor goede televisie zitten erin: spanning, emotie, drama en als het mee zit ook nog tranen. We hadden ze allemaal vandaag. Ik ben wederom blij dat de camera’s niet draaiden.
Wouter zag er wat tegenop omdat hij niet weet hoe het toe gaat op zo’n nieuwe school, waar hij niemand kent en de taal nauwelijks spreekt. Al gaat dat laatste wel steeds meer vormen aannemen. Hij vraagt ineens van alles wat hij ziet de vertaling: ‘wat is nail polish remover?’ De basiswoorden zitten er al bijna in. Toch mist hij het contact met andere kinderen en die kan hij nu ontmoeten op school. Ter voorbereiding kochten we voor hem een echte Scooby Doo lunch box. Dat is een klein rechthoekig tasje (denk aan formaat broodrooster) waar een boterham en flesje drinken in kan. Ik dacht dat dit in plaats van een rugzak was, maar veel kinderen bleken die lunch box in een idioot grote rugtas te stoppen. Wat ze daar verder in hadden wist Wouter niet en ik heb ook geen idee.
Wouter had het  wel even te kwaad vanmorgen toen we weggingen. (En niet alleen hij…)Gelukkig is zijn juf, Miss Johnston, alleraardigst en toen ik hem ophaalde lachte hij alweer en zei vol trots dat hij al twee vrienden had! Oef.

Heel bijzonder is het nieuwe verkeercirculatieplan rondom de school. Om chaos te voorkomen is sinds dit schooljaar een soort tweebaansweg- eenrichtings weg aangelegd rondom de school en over het schoolterrein. De meest rechtse baan is de ‘drop off’ baan, daar mag je stil staan om je kind eruit te gooien of op te pikken.Vervolgens verkas je naar de ‘drive thru’  baan om het terrein te verlaten. Voetgangers en fietsers moeten nu ongeveer driehonderd meter omlopen om de school te bereiken. En dan zeggen ze dat ze stimuleren dat mensen op de fiets of lopend komen.

Gaan wonen in een nieuwe wereld kost veel energie. Alles is anders dan thuis. Alles is nieuw en vreemd. En dan heb ik het nog niet eens over het voortdurend spreken in een vreemde taal.
Alleen al een bezoekje aan de supermarkt is een uitputtingsslag. Welke waspoeder moet ik in vredesnaam kiezen als je keuze hebt uit 50 soorten? En dan staan er nog twintig items op mijn boodschappenlijstje.  De werknemers in de supermarkt zijn allemaal getraind in klantvriendelijkheid. Zodra je hen ook maar even aankijkt of iets te lang neust in de schappen vragen ze al hoe het met je gaat en of je alles wel kan vinden. Heel vriendelijk en erg vermoeiend. Ik probeer oogcontact zo veel mogelijk te vermijden.

Genieten is het nog iedere dag. Van de eekhoorntjes die zomaar de weg over lopen of in de tuin balanceren over een kabel in de lucht. Van de kolibries, een superklein vogeltje dat lijkt op een libelle, of van de blue jay, een blauwe gaai. En van de prachtige uitzichten. Bergen om ons heen waar je ook kijkt. Iedere keer als we de heuvels in rijden lijkt het net of we in de wolken verdwijnen. Wat elke keer gelukkig weer meevalt.

Wouter kwam gister hevig verontwaardigd en bijna huilend uit school. Een meisje uit de andere klas had gezegd dat zijn moeder op een clown leek. Nadat we beiden geconstateerd hadden dat dat meisje zelf niet helemaal lekker was, (onder alle omstandigheden pedagogisch blijven handelen als ouder) ging ik toch nog maar even na waar dat in vredesnaam vandaan kon komen.
Al mijn in Nederland smaakvol op elkaar afgestemde kledingsetjes draag ik niet zo vaak meer omdat dat hier zo opvalt. Hoewel mijn moeder me maande toch vooral mezelf te blijven, is steeds overal opvallen niet altijd fijn. Dus kun je me nu uittekenen in de normale klederdracht van hier, een joggingbroek en fleecevest met Uggs of gympen. Met daarbij een smaakvolle en kleurige sjaal, dat dan weer wel. En ik heb me in de uitverkoop zelfs getrakteerd op een echt Niketrainingsjasje voor mijn dagelijkse exercisewandelrondjes. Met vernuftig ingebouwd handschoenflapje waar Wouter erg jaloers op is.
Af en toe kan ik me niet bedwingen en wil ik iets leuks aan. Vooral als de zon schijnt heb ik dat. Dus had ik vorige week mijn leuke bruine rokje met witte bolletjes aan, met legging en Uggs en wit vestje. Ik vermoed dat dit in combinatie met mijn rode haar voldoende was om de clownopmerking naar boven te halen. En ik had er niet eens mijn bruin-wit pepitaruiten bloesje bij gestyld. Eerdere ervaringen leerden me dat ze zoveel fijnzinnigheid niet aan kunnen hier. Ze zijn ook niets gewend. Een volgend sabbatical gaan we naar New York.

Ons inburgeringsprogramma verloopt voorspoedig, maar aan sommige dingen is het moeilijk wennen. Bijvoorbeeld aan de vele plastic tasjes waarin de boodschappen gestopt worden bij de kassa of de grote papieren tassen bij gezondheidswinkel Trader Joe. Alhoewel ik mijn best doe om ze te hergebruiken als pedaalemmerzak (plastic) of ze voor een tweede keer mee te nemen naar de winkel en als opbergbak voor oud papier (papier) blijven ze maar binnen stromen.
Dus dacht ik me maar een paar boodschappentassen aan te schaffen. Helaas bleken die nergens te krijgen. En toen ik er om vroeg in een huishoudwinkel (denk Blokker maar dan veel groter, zoals alles hier) keek de verkoopster me aan of ik niet helemaal lekker was en zei dat ze gewoon tasjes bij de kassa hadden hoor. De eerder beschreven plastic zakjes… Toen ik laatst bij Ikea was (spreek uit: aikiejaa) heb ik er vier gekocht en die vallen goed in de smaak, ook bij de inpakkers in de supermarkt.

Wat ook niet went is de lange autofile vlak voor schooltijd in de normaal heel rustige Oak Knoll Lane waar Wouter en ik elke morgen langs lopen om naar school te gaan. We hebben dan twee opties: de eerste is ons langs de op de stoep geparkeerde auto’s wurmen, constant bukkend voor overhangende boomtakken en half in de bosjes van de aangrenzende tuinen. De andere is op de straat lopen, tussen de op de stoep geparkeerde auto’s en de rijdende auto’s in. Gelukkig begint dan aan het eind van de straat de file voor het schoolparcours, dus die auto’s staan stil. En er staat altijd een hele stoere politiemotor met dito agent die onze veiligheid garandeert, dat scheelt.

Alhoewel ik mijn dagelijks Volkskrant op de mat nog steeds mis raak ik steeds meer gehecht aan de San Francisco Chronicle. Met name de probleemrubriek ‘Dear Abby’ kan mij zeer bekoren, alleen al uit antropologisch oogpunt erg interessant. Het moet voor de vertwijfelde briefschrijvers een grote opluchting zijn om een zo duidelijk zwart-wit antwoord te krijgen van Abby.
Van enige nuance of relativering is vaak geen sprake, laat staan van de consequenties van het opvolgen van zo’n drastisch advies. Voor slechts zes dollar krijg je een boekje: ‘how to be populair’. Ik heb Petra meteen een cheque uit laten schrijven van onze Wells Fargo rekening.

Deze week begonnen ook mijn Engelse lessen op Stanford. Ik schuif aan bij studenten en onderzoekers uit de hele wereld die net op Stanford zijn aangekomen en de taal verder willen leren. De lessen zijn bedoeld voor gevorderden en ik was blij om te merken dat ik goed mee kon komen en mee kon praten en alles begreep. Je pikt toch aardig wat op van een taal als je er voortdurend in ondergedompeld wordt.  Daarom was het weer een domper dat mijn eerste bibliotheekdienst op Wouters school soms moeizaam verliep vanwege de taal. Ik mag daar namelijk echt boeken afstempelen, iets waar ik als kind al van droomde! Elke keer op vakantie op Schiermonnikoog stel ik me voor dat ik daar ooit ga wonen en dan in de bibliotheek ga werken. Maar daar is het niet zo druk als op Oak Knoll School, waar ineens twintig kinderen met hun boeken in de rij staan zonder bibliotheekkaart. Alle boeken worden elektronisch uitgeleend op naam. Als ik dan aan de kinderen vroeg hoe ze heetten  verstond ik dat vaak niet en vroeg ik het ze te spellen. Dat hielp ook niet altijd (ik moet toch maar even gaan oefenen met het alfabet) en soms ging ik zelfs zover om het ze op te laten schrijven. En wat denk je: op deze kwaliteitsschool kunnen sommige kinderen niet eens hun naam spellen.  En de kinderen met de makkelijke achternamen gingen natuurlijk allemaal naar mijn  Amerikaanse medevrijwilligster. Die me later geruststelde en zei dat het wel wennen zou. En gelukkig bleek dat het geval te zijn. Mijn tweede bibliotheekdienst verliep al een stuk beter. Zo kon ik zelfs al een vraag van een kind beantwoorden die wilde weten hoe je ‘ghost‘ spelt.
Wij bibliotheekjuffen zijn van alle markten thuis. En dat boeken afstempelen blijf ik geweldig vinden.

Het studiejaar op Stanford is nu echt van start gegaan: de colleges zijn begonnen, de studenten weer terug op de campus en alle docenten en onderzoekers weer druk aan de slag. Het werktempo op Stanford is heel hoog  volgens Petra, zowel voor studenten als docenten. Ze kwam het hoofd van de afdeling tegen op de fiets. Hij vertelde dat hij dagelijks  naar het werk fietst om nog wat beweging te krijgen, omdat zijn leven verder bestaat uit werken, eten en slapen.  Petra is gevraagd om deze maand drie keer een praatje te houden op Stanford. Dat wil ze natuurlijk goed doen, dus is ze als vanouds weer veel te hard aan het werk. Toen ik hierover wat begon te mopperen  zei ze dat ze zich gewoon aanpast aan de Amerikaanse werkhouding, dat die mentaliteit van hier helemaal bij haar past. Je kunt dat integreren ook overdrijven.

Wouter heeft zijn draai ook helemaal gevonden. Laatst had hij zelf een play date geregeld met Avery, een jongen uit een parallelklas met wie hij in de pauzes vaak speelt. Avery’s moeder vond het ook oké, maar wilde dan wel graag mee op de play date. Ze kende mij niet en wilde Avery niet het idee geven dat ze hem zo maar aan een willekeurig iemand mee geeft. Je weet hier in Amerika maar nooit, je kan je kind geen seconde alleen laten met al die ontvoeringen. En wist ik wel dat ouders bij een play date vaak vragen of er wapens in huis zijn? Ik heb haar meteen verzekerd dat wij geen geweren thuis hadden en gelukkig durfden ze toen met ons mee naar huis te gaan. Wouter speelde met Avery en ik ging theedrinken in de tuin met Buffie.  Ze heet anders maar haar ‘friends call her Buffie’ en die naam bleef natuurlijk wél hangen.
En dat was erg leerzaam. Ik weet nu alles van haar scheiding (schuldloos, hij ging vreemd met een jongere vrouw), hoe moeilijk het is om als single moeder opnieuw te daten (nooit zelf als vrouw als eerste contact zoeken na je eerste afspraakje, dat schrikt de mannen af) en van haar ontmoeting volgend jaar zomer in Monte Carlo met een oude steenrijke schoolvriend uit Cyprus die ze 20 jaar niet zag en die ze hopelijk aan de haak kan slaan. Een geslaagde play date, zullen we maar zeggen.

Oak Knoll is een school waar veel aan fondswerving wordt gedaan. Bij de school staan vaak vrijwilligers die alle langskomende ouders aansporen om mee te betalen aan bijvoorbeeld extra schoolactiviteiten. En op grote posters wordt dan bijgehouden hoeveel procent van de ouders meedoet. Zo’n actie heet hier een drive. Toen ik dat voor het eerst hoorde dacht ik aan een soort auto-puzzeltocht, maar het betekent gewoon een inzamelingsactie voor een goed doel. En dat kan ook voor goede doelen buiten de school.
Zo heb ik deze week een pak luiers gekocht, niet omdat Wouter een terugval heeft, maar vanwege een diaperdrive. Het plaatselijke tehuis voor dakloze families heeft een groot luiertekort, dus werd  op school een luier-inzamelingsactie gehouden. Het naar school lopen was erg saai die dag, omdat Wouter persé niet naast mij wilde lopen vanwege dat pak luiers in mijn hand.

Omdat mijn ouders een aantal weken op bezoek zijn in Californië leek het hun leuk om ook rond te reizen. On the road dus, om te beginnen met de fantastisch mooie kuststrook.  Samen met mijn vader stippelde ik hun reis uit en boekten we alvast de overnachtingen. En dan blijkt maar weer eens dat hij de oorlog nog heeft meegemaakt en ik niet.
‘ Maar papa, dat hotel heeft van die leuke schommelstoelen, heel romantisch en een heerlijk uitgebreid ontbijtbuffet, mama zal het geweldig vinden.’
´Jij altijd met je ontbijt. We hebben toch een zak bagels gekocht? Nee hoor, doe maar een goedkoper hotel, wij redden ons wel.´
En zo gingen ze op pad, zonder Tom Tom, maar met koelbox en kaarten. Ach, als oud zeeman reist mijn vader toch zijn leven lang al op de stand van de  zon. Ik had me vooraf nog wel wat zorgen gemaakt, twee zeventigjarigen in een groot vreemd nieuw land met een andere taal.
Het zijn net kinderen. Je moet ze toch een keertje loslaten. Gelukkig gaat het prima en ze genieten zich suf, blijkt uit de dagelijkse telefoongesprekken. Zelfs de vijf  uur durende tocht langs Big Sur, met afschrikwekkend hoge afgronden, kronkelweggetjes en indrukwekkende vergezichten langs zee is mijn moeder doorgekomen zonder kalmeringstabletten.
´ Ach, je went eraan na verloop van tijd. En als je weer zo’n bordje ziet met  fifteen mile erop weet je al dat er weer zo’n enge haarspeldbocht komt.´
Het beviel zelfs zo goed dat ze overwegen om ook de terugweg langs dezelfde kustroute te rijden.
´ Dan heeft mama de rotsen aan haar kant en is het veel minder eng.´
Omdat ze zo zuidelijk zitten was het weer veel mooier dan bij ons in Menlo Park en besloten ze nog wat langer rond te trekken.
´ Zometeen gaan we Santa Barbara verkennen, als papa klaar is met het bed opmaken.
—- Oh, hoeft dat niet? Nou ja, hij is nu al klaar. En wat doen we met die natte handdoeken?
—- Nee hoor, we gooien ze niet op de grond.´
Leuk, die generatieverschillen.

Een vreemde eend in de bijt in de ietwat sjieke winkelstraat in ons dorp is Ann’s coffeeshop. De ouderwetse lunchroom doet denken aan Hema restaurant uit de jaren zeventig, met viesgele nepleren banken met een tafel er tussen langs de zijkanten van het restaurant. En heel Amerikaans, met in het midden van de ruimte een lange toonbank met twintig krukken eraan waarlangs de serveerster loopt om in een moeite door steeds koffie bij te schenken. Aan de muren hangen goedbedoelde olieverfschilderijen met reliëf in foute kleuren bruin en oranje die me erg doen denken aan het huisvlijtschilderij in de wachtkamer van mijn inmiddels gepensioneerde tandarts Wooldrik, getiteld ‘eruptie‘.  Ik weet niet wat het over me zegt dat ik me daar erg op mijn gemak voel, maar ik mag er graag even aanwippen. Bijvoorbeeld voor een smaakvolle tosti na mijn yogales, als ik nog niet thuis kan komen omdat de werkster nog bezig is. En dat ik af en toe zit te schudden in mijn bankje omdat mijn achterbuurman zout op zijn eieren strooit voegt alleen maar toe aan de knusheid van dit etablissement.

Deze week was het Earthday. Earthday is de dag waarop je kind verandert in een onuitstaanbaar betwetertje en dat dan de hele dag lang. Het is de dag waarop het licht in de badkamer uitgedaan wordt terwijl jij nog bezig bent, dat je eraan herinnerd wordt dat je je papier ook aan de achterkant moet gebruiken hoor en dat je gedwongen wordt om het plastic ziploc-zakje waarin kleverige snoepjes zaten te hergebruiken. Zucht.
En dit alles leert het kind op school, waar veel bomen hebben moeten lijden door het papier dat van hen gesneden werd om al die posters te kunnen ophangen om ons te herinneren aan deze zo belangrijke dag om de aarde te redden.  Miss Johnston did a good job door de kinderen te informeren over Earthday. Zij forenst dagelijks in haar milieuvervuilende grote auto waar je het centrum van Nijmegen niet mee binnen komt vanaf San Francisco naar school en heeft dan altijd zo’n pas gekochte papieren koffiebeker met plastic deksel van Starbucks in haar hand die ze echt niet omspoelt en hergebruikt. En ook de rij auto’s bij school was nog net zo lang als anders.

Amerikanen zijn dol op ijs. Alleen al het kleine centrum van ons dorp telt drie ijscowinkels.
Allereerst heb je Baskin Robbins, een landelijke keten van ijscowinkels. Ons filiaal wordt bestierd door een immer chagrijnig kijkende Chinese meneer die woordeloos elke opdracht uitvoert. Je hebt keuze uit wel dertig soorten ijs in alle soorten, smaken en kleuren. Bijvoorbeeld cottoncandy, Wouters favoriet, een knalblauw ijsje dat smaakt naar suikerspin. En daar kun je dan wat gekleurde hageltjes op laten doen.  Nee, dan doen ze het beter bij de Cold Stone Creamery. Hier scheppen ze je ijs op een koude plaat en vervolgens prakken ze er alles door wat je maar wilt: pepermuntjes, snoepjes, marsen, snickers, koekjes. Als het maar zoet is en veel calorieën bevat.  Bij Frozen Yoghurt verkopen ze  ijs op yoghurtbasis en doen ze net alsof ze een gezonde variant ijs verkopen. Daar vul je zelf een bak yoghurtijs die je vervolgens opleukt met allerlei snoepfrutsels, sausjes of vers fruit. Je laat het eindresultaat wegen en betaalt per gewicht. Iets wat onze gasten uit Nederland die hun bakje nog even lekker aanstampten liever van tevoren hadden geweten.

De kerstinkopen zullen naar verwachting lager zijn dan gewoonlijk. De winkels zijn nog steeds niet hersteld van Kerst 2008, het slechtste kerstverkoopseizoen sinds 1967. Daarom kopen de winkels zorgvuldig in, en de trend voor dit jaar is traditioneel. Alle moderne onzin in kersttrends van de laatste jaren  wordt overhoop gegooid en de nostalgie van vroeger komt terug. In de traditionele kleuren rood, groen en goud, met simpele koekjes in plaats van dure olie en klassieke kerstballen in plaats van hippe ornamenten. Deze trend wordt in de krant geduid door Kit Yarrow, professor of consumer psychology aan de Golden Gate University in San Francisco. Want, zegt hij: ´When the world feels upside down, you don’t want your tree to be´. En zo is het maar net. Ik kan me nu al verheugen op die ouderwetse kersttrend. Als ze hier met kerst net zo uitpakken als met Halloween  vallen wij straks met onze neus in de boter.

Hoe irritant is dit: je eigen zevenjarige snotneusje dat je Engelse uitspraak verbetert:   ´Mama, het is niet miss Tjonstun,  maar miss Tjanstin!´ (Miss Johnston)  En het vervelende is dat zijn uitspraak inderdaad volkomen accentloos Amerikaans klinkt. Jaloersmakend, zucht.
Als ik ergens mijn mond open doe vragen ze meteen waar ik vandaan kom. En ik dacht nog wel dat mijn Nederlandse accent in ieder geval toch nog een stuk beter klonk dan het gebrabbel van mijn Japanse, Franse, Chinese en Mexicaanse lotgenoten in de Engelse les op Stanford. Helaas kan ik me zelfs aan deze strohalm niet langer vastklampen. Mijn taalkundig redelijk onderlegde partner zegt dat ik mijn eigen accent en dat van medelandgenoten  gewoon niet goed kan beoordelen, en dat het in de oren van de Amerikanen waarschijnlijk even slecht klinkt als al die andere accenten. Nou, daar moet je het dan maar mee doen.

Nu we bijna afscheid moeten gaan nemen vallen de dingen die we straks thuis niet meer hebben ineens wat meer op. Zo ben ik bang dat ik thuis boze blikken ga krijgen bij de kassa omdat ik wacht tot de kassière mijn tassen gaat inpakken, daar ben ik nu zo aan gewend hier. In het begin deed ik dat nog zelf, ik vond het toch een beetje gênant om dat aan iemand anders over te laten terwijl ik toch niets anders doe dan wachten. Inmiddels laat ik dat net als de Amerikanen gewoon aan de professionals over. Die ook wel laten merken dat ze dat liever zelf veel beter doen.
En ze hebben gelijk, want het verbaast me iedere keer weer hoeveel boodschappen er in een tas passen als die is ingepakt door een specialist van de Safeway of Trader Joe. Dat ik ze thuis weer overpak in andere tassen omdat ik ze anders niet kan tillen doet daar niets aan af. Maar de altijd aangeboden hulp om de spullen in de auto te laden sla ik standaard af. Ik heb me een keer laten overhalen in het begin. Het kostte Wouter en mij tien minuten om een loeizware, gigantische doos met tig gallons water in de boodschappenkar te laden. Om dat proces niet te hoeven herhalen bij de auto leek wat hulp mij wel handig. Ik stelde me daar zo’n grote sterke, tatoeages op zijn spierballen dragende man bij voor. Totdat de hulp bleek te bestaan uit een afgetobde vrouwelijke zestigplusser. Vol schuldgevoel sjokte ik achter haar aan naar de auto. Alwaar zij eenvoudigweg gewoon de doos opensneed en de watertanks er een voor een uithaalde. Slik. Gelukkig ben ik een snelle leerling.

En nu is het bijna zo ver dat we echt weg gaan. Terug naar het natte Nederland.  De auto is net verkocht en opgehaald, de kasten leeggeruimd, de tickets op tafel, de koffers gepakt, en het huis vreemd kaal en chaotisch.  Over een uurtje komt de Comcast-meneer onze internet en tv- aansluiting beëindigen, dus zijn we een poosje uit de lucht.
Ik vind het moeilijk om weg te gaan, maar weet dat we zeker terug komen naar deze prachtige omgeving, al is het maar voor een vakantie.
Het was een geweldig jaar.