19 oktober 2012

Boven op zolder, in de witte muurkast die slechts sluit met een versleten douchegordijn, liggen mijn vakantielaarzen. Stevige, bruin leren stappers zijn het die alleen dienst doen tijdens vrije dagen waar zeewater en schurend zand aan zet zijn. Als daagse schoen werden ze tijden terug al bedankt voor bewezen diensten. Ze oogden te plomp, te vaal en de rechterschoen leed aan hetzelfde euvel als veel van mijn schoenen: de grote teen wiebelt zich van binnenuit een weg naar buiten waardoor bovenop een bobbeltje ontstaat. Als afgetobde circuspaarden op een kinderboerderij zitten ze hun tijd uit totdat heel af en toe het douchegordijn opzij schuift en ze met knipperende ogen het daglicht aanschouwen. Gisteren was het weer eens zo ver. Ik trok ze uit hun verstop hoek en poetste ze nog wat op om al hun onvolkomenheden te verbloemen. Toen trokken we er samen op uit, mijn schoenen en ik. Met de auto, de boot en de bus en het laatste stukje met de benen. Moe van de reis strompelden we het huurhuisje binnen, waar ik mijn trouwe dragers meteen verloste van hun zweterige inhoud. Links de rits open, rechts de rits … Waar zit rechts de rits? Vertwijfeld kijk ik naar omlaag om te ontdekken dat ik twee verschillende schoenen aan heb.

Als er iemand aan vakantie toe is…