Blog

 

 

maart
Ondanks de sneeuw en de straffe noordoosterwind lijkt het lente. De zon piept gefilterd door de luxaflex mijn werkkamerraam binnen, waar ik keurig rechtop achter mijn computer zit. Nooit gedacht dat een mens blij kan worden van het pure feit rechtop te kunnen zitten. Het kan. De waardering voor wat je hebt pas echt goed voelen wanneer je niet meer achteloos beschikt over vanzelfsprekendheden, werkt dus ook omgekeerd. Ja, je mag de zin een paar keer overlezen om hem te snappen, dat deed ik ook na het opschrijven.
Genoeg bespiegeling, het gaat vandaag over heimwee. Dat onderwerp
speelt al door mijn hoofd sinds de opmerking van mijn schoonmoeder, maanden
geleden al weer.
‘Je kunt alleen maar heimwee hebben naar thuis,’ sprak ze gedecideerd toen ik vertelde dat we uit heimwee dit jaar wederom een reis boeken naar de plek waar we een jaar lang zo gelukkig waren. Puur feitelijk genomen heeft ze natuurlijk gelijk. Het woord heimwee komt uit het Duits en betekent letterlijk pijn naar thuis, een bijna ziekelijk verlangen om terug te keren naar de geborgenheid van de plek die we ons thuis plachten te noemen. Het vreemde is echter dat ik gedurende dat jaar ver weg nooit heimwee kende. Niet naar ons huis, onze stad, niet naar familie of vrienden. Natuurlijk kan dat deels verklaard worden door de talloze mensen die ons daar bezochten en door moderne communicatiemogelijkheden als Skype en mail. Om maar niet te spreken over de gigantische afleiding door alle nieuwe indrukken die neerstrijken
in een onbekende cultuur aan het andere eind van de wereld met zich meebrengt.
Geen heimwee naar Nederland dus, maar wel heimwee naar een plek waar ik welbeschouwd maar een fractie van mijn leven doorbracht. Terwijl ik niet eerder echt heimwee ondervond, zelfs niet als kind, kan ik nu haarfijn die knagend melancholische gewaarwording tot in mijn botten voelen doordringen.
Zoeken op internet levert nog een algemenere verklaring van het woord heimwee op: het verlangen naar de geborgenheid en de zekerheden van het bekende. Het verklaart niet mijn heimwee naar die relatief kort gekende plek, maar wel de heimwee van mijn tante, de oudste zus van mijn moeder. Ze is bijna tachtig en inmiddels weduwe, maar oogt nog fit en jeugdig en kreeg  dit jaar om dat te benadrukken maar liefst twee Valentijnskaarten. Toen ik haar bezocht had ze echter vage kwaaltjes.
‘Hoe denkt u dat dat komt?’ vroeg ik. Ze staarde nadenkend voor zich uit terwijl ze op haar eigen bank zat in haar eigen vertrouwde huis:
‘Ach kind, ik heb zo’n heimwee.’ Haar heimwee werd veroorzaakt door de wens naar haar twee jongere zusters die al bijna twee maanden zonnen in Spanje.

Het was al licht toen ik ontwaakte; de dagen lengen, de lente is in aantocht. Blijmoedig sprong ik uit bed om tot mijn verrassing te merken dat ik dat ook daadwerkelijk kon. Mijn hersens vergeten iedere ochtend mijn tijdelijke fysieke toestand, totdat mijn lijf ze daar weer fijntjes aan herinnert. Na weken bewegen als een hoogbejaarde leek mijn rugpijn in remissie, waardoor het lentegevoel alleen maar toenam.
Kwiek en opgewekt kleedde ik me aan. Vandaag geen afstotelijke maar o zo troostende en comfortabele bruine vodden. Deze dag moest gevierd met iets
toepasselijks, dus koos ik de gele jurk waarin ik me altijd een krokus  voel. Met nieuw elan spurtte ik weg op mijn fiets, genietend om mij heen kijkend naar het
ontluikende groen in het plantsoen. Sneeuwklokjes rond de bomen, een duif die
opstijgt vanaf het grasveld en mijn richting opvliegt. Een arrogante duif is
het, voor niks en niemand bang, zeker niet voor een argeloze fietser met goed
humeur. Juist voordat de duif me kruist en op mijn hoofd landt -of erger- knijp
ik vol in mijn remmen. Net op tijd scheert hij rakelings langs me heen. Oef.
Nu staat niets meer in de weg voor de aanschaf van een kaasdoos.Na deze nuttige missie beloof ik mezelf een korte blik in een kledingwinkel. Slechts 1 kledingwinkel. Het is niet iedereen gegeven om in luttele ogenblikken zoveel afgeprijsde artikelen bij elkaar te scharrelen. Wat kan ik zeggen? Ik ben een natuurtalent als het op shoppen aankomt. Zo lenig als een jonge meid pas, keur en kies ik. Bij het aankleden gaat het mis. Te overmoedig, verkeerde beweging, wie zal het zeggen. Van jonge meid naar hoogbejaarde in een enkele draai.
Kromgebogen reken ik af en strompel ik naar mijn fiets. Thuis stap ik over op mijn oude regime: bruine vodden aan, languit liggen op de bank, de enige manier om pijnloos te vegeteren. Naast het lopen natuurlijk, steeds maar lopen.
Op die bank tik ik nu dit stukje op een tablet en bedenk met enige spijt dat de lente vast nog lang op zich laat wachten.

 

Schakering

Er zijn van die dagen
als vastgeklonken ijsschotsen
hoe je ook wrikt,
je komt niet vooruit
het zonlicht toont genadeloos
de stof op het dressoir

er zijn van die dagen
als bellenblaasbubbels
ze laten je zweven,

vlak boven de grond
het zonlicht tekent
patronen op het tapijt

nooit is het licht zo helder
als wanneer je uit het donker komt

 februari
Als ouder in het bezit van een eigentijds kind dat het vertikt groenten te eten, maar wel een echte carnivoor is, kook ik vaak vlees. Als partner van een eigentijdse vegetariër die het vertikt vlees te eten, maar wel een echte herbivoor is, kook ik vaak groente. Zelf ben ik overigens volkomen normaal en eet ik alles, behalve spruitjes. Je moet ergens een grens trekken.
Enfin, nu lijkt het erop alsof ik uitgebreid uit de doeken ga doen hoe ik als octopusmama alle pannen op het fornuis beheer. Hoe ik quasi-koosjer
kook met meerdere vorken tegelijk, zodat de verschillende voedselsegmenten
elkaar niet raken. Intrigerende materie, inderdaad, maar niet waar ik heen wil
vandaag.
Doorgaans koop ik – mede ingegeven door de gevoelige thuissituatie – groen vlees uit de supermarkt. Vlees waarbij je de illusie kunt koesteren dat het inmiddels in nette partjes opgedeelde varken zich eerdaags nog vreugdevol door de modder wentelde. Eens per week echter, kom ik langs onze buurtslager. Ook al is zijn vlees niet groen, zijn voorkomen is zo charmant ouderwets klantvriendelijk, dat ik als een junk aan de coke blijf afkomen op zijn versgedraaide worsten en zelfgepaneerde schnitzels. Zo is er altijd een praatje over het weer of een deskundig advies over de juiste keuze voor draadjesvlees. Ook staat bij hem in grote koeienletters paardenvlees geschreven
op een vacuüm getrokken donkere brok vlees. Kom daar maar eens om tegenwoordig. Sinds kort verkoopt hij ook kant- en klaarmaaltijden.
Diverse stamppotten, bleke bami- en nasigerechten en flink met geraspte kaas
bestrooide lasagne.
‘Maakt u dat nou allemaal zelf?’, informeerde ik nieuwsgierig.
‘Nee, mevrouw, dat laat ik doen. Ik bestel de duurdere versies, dus het is goed spul, maar ik maak het niet zelf. Sommige slagers zijn daar niet eerlijk over. Maar ik wel. Mijn vader zei altijd: ‘het opbouwen van
een goede  reputatie duurt jaren, het afbreken slechts weken.’  En zo is het.’
Kijk, daarom houd ik zo van mijn buurtslager die zo te schatten niet ver van zijn pensioen af is. Gelukkig lijkt zijn zoon op hem. 


Grote bewondering heb ik voor teenbreiers, mondschilders, oogtypers en andere bikkels die met hun al dan niet tijdelijke handicap bergen verzetten. Aan mij is helaas een bikkel verloren gegaan. Geknakt door rugklachten kom ik niet verder dan gegrom vanaf de bank, waar ik horizontaal gedachtes wegdruk aan alle flinkerds op aarde, onderwijl moed verzamelend voor wederom een wandeling. Lopen, liggen en hopelijk binnenkort weer bloggen.


Als prototype van een ochtendmens vermijd ik waar mogelijk avondactiviteiten. Mijn geluk kan dan ook niet op bij een portie cultuur in ochtenduur. Zo toog ik afgelopen zondagochtend naar het filmhuis voor de nieuwste film van Helen Hunt, een door mij bewonderde actrice. Altijd bijzonder om een filmster
van bijna vijftig op het witte doek te zien flaneren. Emancipatie ten spijt: de
houdbaarheidsdatum van actrices verstrijkt lang voordat ze de vruchtbare
leeftijd verliezen, daar waar hun mannelijke tegenhangers nog de held spelen op
pensioenleeftijd. Volgens de strengere AOW-normen. En daarbij hun hand niet
omdraaien voor een liefdesaffaire met hun dertig jaar jongeren tegenspeelster. Dat Helen Hunt – in haar blootje ook nog – een hoofdrol speelt in de aan te raden film The Sessions mag daarom een klein wonder heten. Dapper gedrag op haar leeftijd in een subcultuur waar je zo vreselijk op uiterlijk wordt afgerekend. Vol verwachting streek ik neer in de bioscoopzaal. Vol ontzetting keek ik vervolgens naar Helen Hunt in close-up. Behalve extreem mager voor haar leeftijd schenen haar ogen naar achteren getrokken. Ze leek sprekend op een poes.
Tijdens mijn jaar Californië, in het met goud behangen Sillicon Valley, waar alle mensen spierwitte tanden en een preoccupatie met slank en jong hebben, vielen ze me al op. Oudere dames met kattenogen. Als je er eenmaal op let zie je ze overal. Gefacelifte hoofden, rimpelloos maar veranderd in een poezengezicht. Nu dus ook Helen Hunt. Het merendeel van de film werd ik er door afgeleid. Helemaal toen ik haar twee mannelijke medespelers van dezelfde leeftijd
zag. De ene met een markant, diepgegroefd gelaat, de andere met een dikke
bierbuik. Zij wel. Ik werd er een beetje treurig van.


Terwijl ik de vaatwasser inlaad spatten koffiespetters op mijn broekspijp. Dat is niet voor het eerst. Het zal ook niet de laatste keer zijn. Mijn gemalin – er zijn van die zeldzame woorden die je ooit eens gebruikt wilt hebben- heeft de onhebbelijke gewoonte koffieresten in het kopje te laten zitten. Dat feit bezorgt me naast vlekken in kleding ook hoofdbrekens. Smaakt die laatste slok soms niet lekker? Bestaat er wellicht een etiquetteregel om een staartje thee of koffie te bewaren, zoals die niet te onthouden code van bestek neerleggen op je bord wanneer je vol zit? Wat beweegt iemand om al drinkend te bedenken dat dat laatste beetje vocht de mok doet overlopen?
Natuurlijk, het kan een keer voorkomen. Maar stelselmatig? Daar moet iets achter zitten. Er moet een wetenschappelijke verklaring voor zijn. Vermoedelijk iets evolutionair bepaalds. Onbewust reserves opbouwen, hamsteren voor in tijden van nood. Zoiets moet het zijn. Nu ik er over nadenk: vaak blijft er op haar bord nog een lepel groenten liggen! Dat kan geen toeval zijn. Nee, het is vast genetisch want ik zie het meer mensen doen. Een oude vriendin heeft dezelfde tic. Mijn oom ook. Zegt het misschien iets over hen? Zouden zij behoren tot de groep die Darwin ‘the fittest’ noemt? Degenen die altijd overleven? Omdat ze wél de wetenschapspagina’s lezen in die moddervette zaterdagkranten? Omdat ze daardoor weten dat je van het leegschrapen van een kuipje Becel kanker krijgt? Er is beslist iets aan de hand met die laatste slok. Misschien moet ik ook..?


Soms zijn er van die dagen dat je artikelen in de
ochtendkrant zou willen overslaan. Weer zo’n verhaal over ellende in een land
ver weg bij je boterham met aardbeienjam. Ik blader meestal snel door, om
vervolgens uit wroeging toch weer terug te bladeren. Het zal het Calvinistische
trekje in mij wel zijn. Het gaat immers niet aan om de ogen te sluiten voor narigheid.
Soms zijn er  van die dagen dat ik doorblader vanwege berichten die iedere dag hetzelfde lijken te beweren. Dat het momenteel met onze economie slecht gaat bijvoorbeeld. Iedere dag opnieuw blijkt dat nieuws te zijn. Overigens wel knap hoe het journalisten telkens weer lukt  creatieve invalshoeken te bedenken om te zeggen dat ons geld opraakt.
Soms zijn er van die dagen dat er weinig nieuws van betekenis is. Dan vallen de woorden meer op. Vanochtend bijvoorbeeld werd ik erg blij van het woord oorsmeergate. Ik hoop vurig dat deze vondst de Van Dale haalt. Voor wie het niet meekreeg: oorsmeergate gaat over de declaratie van duizend euro voor een doorsmeerbeurt. Van oren. Kijk, over de journalist die dit woord bedacht hoor je mij niet. Van mij mag hij of zij een originaliteitsprijs.
Zo dronk ik vanmorgen mijn koffie op een druilerige maandag in februari. Zo kauwde ik op mijn geroosterde volkorenboterham met jam terwijl ik het mij onbekende woord deconfiture las. Het leek niet veel goeds te betekenen. Ik besloot voor mijn gemoedsrust het gewoon te vertalen als ontjammen, van jam ontdoen.

januari
Even voor zessen schakelde ik de tv in voor het journaal om
te merken dat de uitzending al een uur begonnen was vanwege het Grote Nieuws. Onze koningin zou om zeven uur iets zeggen. Op alle publieke zenders tegelijk. Omdat zij van het journaal dus al een uur lang driftig speculeerden, ging ik er voetstoots van uit dat we dan nu de rest van het nieuws zouden horen. Tenslotte was er die verschrikkelijke ramp in Brazilië. Daarnaast ben ik inmiddels zo gewend geraakt aan het dagelijkse bericht over de abominabele gesteldheid van onze economie.
Tot mijn verbijstering niets van dat alles. Zij van het journaal  bleven gewoon nog een uur speculeren over het al dan niet aftreden van onze vorstin. Weliswaar met diepte-interviews van de verraste man en vrouw in de straat. Met onthutste reacties van bekende en ter zake kundige onderdanen: ‘Ik heb haar in 1989 de hand mogen schudden.’ Al die commentaren laten zich in één quote omschrijven: ‘Koningin Beatrix heeft groot gelijk dat ze op dit moment stopt na dit voor haar zo moeilijke jaar. Ze heeft er bovendien de leeftijd voor, ze heeft het geweldig gedaan, het pensioen is haar van harte gegund.’ Dat alle media vervolgens uitrukken met reportages, achtergrondverhalen en het uitrollen van nog meer deskundigen kan ik billijken. Mag van mij. Maar mogen we dan alsjeblieft ergens in een hoekje van de krant of tijdens een kwartiertje journaal nog horen wat er verder gebeurt in de wereld?
Heel graag, bedankt. En daarna juich ook ik volmondig mee: Leve de koning!


De eerste outletstore voor levensmiddelen opende deze week zijn deuren. Het is meteen een instant succes. De verzotopkoopjesconsument – welke Nederlander herkent zich niet in dit beeld – kan voortaan ook doldwazen naar zijn voedselvoorraad.  Want wat blijkt uit onderzoek: de uiterste
houdbaarheidsdata op producten zijn meestal te negeren.  Niet van dat benauwde dus.
In een kader staat het allemaal fijntjes uitgelegd. Er blijkt een groot verschil te zijn tussen de indicaties tenminste houdbaar tot en te gebruiken tot. Die laatste datumaanduiding is voor versartikelen en kun je beter wel opvolgen. Al weet ik uit ervaring dat melk of karnemelk echt nog wel een paar dagen na datum drinkbaar is. Wat heet: tijdens mijn werk bij de Amerikaanse voedselbank in Palo Alto gaven we standaard zuivel mee dat volgens het etiket niet langer drinkbaar zou moeten zijn. Iedereen kwam de week erna gewoon weer opdagen.
Tenminste houdbaar tot blijkt zelfs een nog rekbaarder begrip. Er schijnen producten te bestaan die je honderd jaar later gewoon nog kunt eten. Zelf at de onderzoeker veertig jaar oude legermaaltijden zonder het loodje te leggen en hij claimt dat het nog smaakte ook.
Dat is een hele geruststelling voor als ik me weer eens in een huurhuisje bevind. Vaak staan daar in keukenkastjes door anderen achtergelaten restanten waar ik graag gebruik van maak. Zo logeerde ik eens in een Amerikaans huurhuis. Meestal gingen we uit eten (nergens is dat zo fijn  als in Californië: gezond, goedkoop én snel. Kom daar maar eens om in Nederland, maar dat geheel terzijde.) Die immense keuken diende voornamelijk voor het zetten van thee of koffie, maar nu zou ik met creativiteit eens kijken wat ik kon brouwen. Nou is er niets leuker dan in een andere cultuur de inhoud van keukenkastjes te bekijken. Prachtige etiketten en geheimzinnige blikken. Teksten die nopen tot lezen zodat de maaltijd  lang op zich laat wachten. Soms blijft het een raadsel waar iets voor bedoeld is. Die middag nam ik wat pasta uit de kast en fruitte wat overgebleven rimpelige groenten, om het met een blikje Campbell tomatensoep en wat kruiden uit de tuin tot een pastasaus om te toveren.Tevreden liet ik de saus sudderen en neusde wat in keukenkastjes. Wie weet wat ik nog meer kon gebruiken? Helaas leverde mijn zoektocht alleen maar spullen ver over de datum op. Geschrokken duwde ik alles terug in de kast. Schoorvoetend liep ik naar de vuilnisbak waar ik het lege soepblik uitviste. De houdbaarheidsdatum op het blik was uit de tijd van typemachine en langspeelplaat. Nu weet ik natuurlijk beter, maar toen ging
de hele maaltijd door de gootsteen (dat mag daar) en stapten wij stante pede in
onze huurauto voor een avocadoburger met volkoren bol. En vooruit, versgesneden friet.


Tijdens een culturele middag luister ik naar danig aan de tand gevoelde schrijvers. Openhartig leggen ze hun schrijfproces bloot. Na afloop weet ik haarfijn welk boek ik wel wil lezen. Enigszins besmuikt besluit ik mijn pas aangeschafte exemplaar te laten signeren. Ik ben er nu toch.
Het heeft iets ongemakkelijks om een handtekening te vragen aan de auteur. Alsof je een groupie bent, in katzwijm voor je idool. En daarbij, maakt het de leeservaring plezieriger om te weten dat de handtekening van de maker voorin het boek staat?  De vrouw die als eerste aanschoof bij de schrijfster praat uitgebreid met haar. Ze hebben het over kinderachtige handtekeningen.
De man voor mij in de rij heeft geen morele bezwaren tegen signeren. Uit zijn tas diept hij een viertal boeken op. Nog een geluk dat de schrijfster in kwestie beginnend is. Een van de boeken is een verzamelboek met verschillende schrijvers. De man voor mij zoekt het juiste hoofdstuk op. ‘Voor Ron’, zegt hij en gehoorzaam zet ze in ieder boek die opdracht.
In mijn geval is een opdracht altijd problematisch. Mijn naam moet telkens gespeld. Daar heb ik vandaag geen zin in. Bovendien, ik heb het boek nog niet gelezen. Een paar jaar terug kocht ik op een markt een boek van een schrijfster die blijmoedig ‘voor Mieny ‘ in het boek schreef. Vervolgens las ik in het boek, om na twee bladzijdes te oordelen dat het zonde van mijn tijd was om door te lezen. Toen zat ik er maar mooi mee. Weggeven of weggooien, dat waren de opties. Ik besloot tot het eerste. Maar wat te doen met de opdracht? Eruit scheuren? Dat ging te ver. Met enige uitleg en de suggestie tot scheuren gaf ik mijn boek weg. Het voelde als een bevrijding.
‘Doe mij maar alleen zo’n kinderachtige handtekening’, zeg ik tegen de schrijfster. Dus krijg ik er twee, met jaartallen en pijltjes. Dubbelgesigneerd,
dat belooft wat.


Er bestaan van die klussen die je het liefst zo lang mogelijk uitstelt. Omdat ze zo vervelend zijn, zo tijdrovend of geestdodend. Je verzint smoezen voor jezelf, rechtvaardigingen voor het vermijden van zo’n Sisyphus-taak.
En soms snijdt zo’n argument nog hout ook. Neem bijvoorbeeld het ontdooien van een vriezer. Een afschrikwekkende bezigheid omdat het alle negatieve
vooroordelen van te vermijden karweien bevestigd: vervelend, tijdrovend èn
geestdodend. Je zou wel gek zijn om daar aan te beginnen voordat de vrieslades onsluitbaar blijken door vastgekoekte ijsblokken waar de Titanic trillend van angst langs vaart.
Nee, aan zo’n corvee begin je alleen wanneer het overdag stevig vriest. Dan kun je met een gerust hart de ingevroren producten buiten zetten zonder op een later tijdstip te bezwijken aan voedselvergiftiging. Echte huisvrouwen wachten waarschijnlijk tot het moment dat de vriezer bijna leeg is.
Op de ene of andere manier breekt in mijn huishouden zo’n moment nou nooit eens aan. Tot mijn grote vreugde beleefden we dit jaar tot vorige week een zachte winter. Maar nu het al een week vriest kan ik er echt niet meer onderuit: vanavond sluit onze vriezer weer soepel.


Te vroeg gejuicht, daar ben ik inmiddels achter. Ook langdurige kou verveelt op den duur net zo erg als aanhoudend miezerweer. Na enkele dagen
vrieskou lijkt mijn huid steeds meer op schuurpapier en voelen mijn botten aan
als ijspegels.  Als het vriest doen zich daarnaast nog wat nare bijverschijnselen voor die gepaard gaan met verontrustend hoge temperaturen: ijskoorts.
Zodra het kwik zakt tot een magere  graad onder nul schiet de schaatsaanschafbarometer metershoog de lucht in. Iedereen wil nieuwe schaatsen, liever vandaag nog dan morgen. Zelf doe ik niet mee aan die
gekte. Als kind vond ik schaatsen al een drama en vermeed ik het waar mogelijk.
Natuurlijk, natuurijs is verleidelijker dan een ijsbaan. Ook ik heb wel verrukt
voor de bevroren vijver om de hoek gestaan, gefascineerd door het feit dat het
rimpelende water was veranderd in een stevige ijsvloer. Ooit deed ik nog wat
armzalige pogingen tot voortbewegen op kunstschaatsen. Meestal had ik er al danig genoeg van na het aantrekken van de schaatsen, zittend op de vijverrand. Koude billen, koude voeten, koude neus en oren, om van bevroren vingers maar niet te spreken. Het schaatsen moest dan nog beginnen. Voor zover je van schaatsen kon spreken, met mijn zwakke enkels leek ik meer op een eend met O-benen. Nee, tussen mij en schaatsen kwam het nooit meer goed. Misschien is het daarom dat ik de overtreffende trap van ijskoorts – wel of niet Elfstedentocht – altijd wat meewarig bekijk, al gun ik het de liefhebbers natuurlijk van harte. Al stel ik na de vele voorgaande fiasco’s  wel voor dat we dit jaar de verwachtingen wat lager spannen. Dat is voor ieders gemoedsrust beter, de klap van afgelasting komt dan minder hard aan.
Zullen we voor alle zekerheid afspreken dat we pas na twee
weken nachtvorst de rayonhoofden in het journaal laten opdraven?


Het vriest. Meteen oogt de wereld ieler en verwachtingsvoller. Er hangt iets in de lucht wat moeilijk te grijpen valt. Een belofte wellicht? Stilte voor de storm? In ieder geval lijkt er iets zuiverends uit te gaan van de vorst. Alsof de muizenissen en hinderlijke oprispingen van het dagelijks bestaan in een ademstreek schoongeveegd zijn door de kou. Maar het kan natuurlijk verbeelding
zijn. Als kind liep ik tenslotte ook veelvuldig met mijn hoofd opgeheven naar de
regendruppels, in de hoop op sproetjes die nooit kwamen. Ik bedoel maar, je
kunt er soms vreselijk naast zitten en niet alles is wat het lijkt. Vooralsnog klaag ik niet over de vrieskou, alles is tenslotte beter dan de voorafgaande natte dagensleur. Elke kans om die leuke nieuwe muts te dragen is bovendien meegenomen. Dus kook ik zuurkool en dampende soep terwijl
ik onderwijl droom van hete zomerdagen.


Schrijven is niet alleen schrappen, maar soms ook jezelf
verrassen. Zo schaaf ik weleens – verspreid over weken – uren aan een
gedicht. Dan weer verbaas ik mezelf door in twintig minuten een gedicht te componeren. Ook al zou ik wensen dat het veelvuldiger voorkwam, ik tel mijn zegeningen.
Vaak krijg ik inspiratie door invallen die ik midden in de nacht opdeed of vlak voor het wegglijden in een diepe slaap. Door schade en schade leerde ik om op die momenten toch tandenknarsend op te staan om deze pareltjes voor vergetelheid te behoeden. Ook al lijken briljante nachtelijke ingevingen voorgoed in de hersenschors gegrift, bij het ontwaken blijken ze doorgaans door snoodaards gestolen.
Gedachtenflitsen, ideeën, spontane krabbeltjes, aantekeningen: het zijn diamanten die je moet koesteren. Die je niet in een vlaag van opruimwoede weggooit, waarna je je later opeens herinnert dat ze belangwekkende
woorden bevatten waar je iets mee kan wrochten.
Dus als je ooit van mijn hand een gedicht leest over een flamencodanseres,
weet dan hoe ik de Kunsten hoog houd door desnoods vuilniszakken te heropenen en net zo lang te zoeken tot de laatste snipper terecht is.


Iemand zei me toch eens op te houden met schrijven over Californië en het Noorderplantsoen. Die opmerking was een goedbedoelde aansporing om nieuwe wegen te bewandelen, een lovenswaardige poging me onontgonnen schrijfgebied te laten betreden. Toegegeven, de spreker had gelijk.
Het is verfrissend om je blijvend te ontwikkelen door buiten de strakomrandde
lijntjes te kleuren. Misschien kan dat mijn motto voor dit pas ontloken jaar worden? Schrijven over het ongewone en onbekende in plaats van het alledaagse. Een spannend voornemen waar ik eens over zal gaan broeden.
Toch weet ik nu al dat ik het toch niet kan laten om tevens te blijven schrijven over zaken die me na aan het hart liggen. Je kunt nu eenmaal van een
onderwerp dat je boeit veel kanten laten zien, steeds opnieuw verwonderd
worden. Daarbij, veel kunstenaars en schrijvers doen dat evenzo, onophoudelijk over hetzelfde thema schilderen of dichten. Zonder dat het saai wordt, of vervelend tonen ze de tijdgeest of zijn ze hun tijd ver vooruit door een glimp van de toekomst te tonen. Over landgrenzen heen laten ze zich inspireren door het
alledaagse; door mens en natuur, het huiselijk en werkend bestaan. Eenieder die zich hierdoor wil laten inspireren kan ik aanraden de adembenemend mooie tentoonstelling Nordic Art te gaan bezichtigen. Nog tot en met 5 mei te bewonderen in het Groninger Museum.


Op mijn verjaardag ontving ik van een lieve vriendin een
bijzonder vormgegeven glazen pot gevuld met vulpeninkt. De pot heeft een uitwaaierende plooirok en loopt taps toe aan de bovenkant, waar zich een reservoir bevindt met een knikker erop. Een ingenieus systeem om relatief vlekvrij een pen te vullen. De inkt is groen. Bezuidenwoudgroen, zegt het scheefgeplakte label op de inktpot, een van de zes en twintig kleuren inkt die de firma P.W. Akkerman uit Den Haag verkoopt. Een goede keuze omdat groen al jarenlang mijn lievelingskleur is, nadat geel langzamerhand uit de gratie raakte ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw. Een mens moet zich altijd blijven ontwikkelen niet waar?
Een pot vulpeninkt is een prachtig cadeau, ware het niet dat ik geen vulpen bezit. Behept met het onleesbare handschrift dat in mijn familie in de genen wordt meegeleverd, heb ik mijzelf nooit waardig genoeg bevonden om er een aan te schaffen. Wel herinner ik me er ooit een kreeg als tiener. Die was geen lang leven beschoren. Al vrij snel sneuvelde de pen omdat ik te hard op de zilveren schrijfpunt drukte.
Behalve een genetische schrijfhandicap is er nog een obstakel. Ik schijn een verkeerde schrijfhouding te hebben aangeleerd. In plaats van de bovenkant van de pen losjes met drie vingerpunten te omspannen, houd ik de pen klemvast in een wurggreep ergens in de ruimte aan de onderkant van mijn duim. Te laat om dat nu nog af te leren. Lang leve de laptop die maakt dat ik nooit meer gedwongen ingeleverd schoolwerk drie keer moet overschrijven omdat
het niet netjes genoeg was. Maar toch schrijf ik veel met de hand, in allerlei opschrijfboekjes van divers formaat die overal en nergens liggen en die ik altijd meezeul voor je weet maar nooit welke goede inval. Bovendien, wie zegt dat je alleen maar met een vulpen mag schrijven als je een mooi handschrift heb? Dus toog ik naar de vulpenspeciaalzaak in mijn eigen stad. Daar kocht ik een roomwitte Visconti vulpen die ik vulde met inkt, bezuidenwoudgroen. En misschien verbeeld ik het me, maar ik lijk ineens veel mooier te schrijven, als trotse bezitter van een echte vulpen.


Schrijven is schrappen. Dat had ik me voordat ik aan de Schrijversvakschool begon nooit zo gerealiseerd maar is een van de belangrijkste lessen die ik leerde. Kill your darlings, heet dat in vakjargon. Dus met bloedend hart snijd ik in dierbare stukken tekst, wreed vernietigend wat door proeflezers als niet ter zake doende werd beoordeeld. Want de lezer heeft altijd gelijk, volgens mijn docent die het kan weten omdat hij enkele romans en dichtbundels op zijn naam heeft staan.
Dus schrap ik knarsetandend waar ik in eerder stadium eindeloos aan componeerde en schaafde. Herschrijf ik mijn verhaal na lezerscommentaar, herschik ik lappen tekst en laat ik quasi achteloos hier en daar afgekeurde zinnen vallen als strooigoed. Om ze vervolgens bij nieuwe redigeerrondes opnieuw te moeten elimineren. Schrijven is lijden.
De lezer heeft altijd gelijk, maar de schrijver uiteindelijk altijd het laatste woord. Lang leve een blog in eigen beheer. Dus lezer, wapen je. Zet je schrap voor door proeflezers neergesabelde alinea’s die het verhaal nodeloos vertraagden maar door de schrijver zo gekoesterd worden. Hieronder enkele gekilde darlings uit mijn eerste langere tekst. Lees en huiver maar wees gerust, de meest schokkende beeldspraak (mijn docent: ‘deze vergelijking is niet wat je noemt treffend’) is reeds geëlimineerd.
Schrijven is killing.

Het ontwaken was altijd het zwaarst. Dat ondefinieerbare moment waarop onbewuste lichamelijke processen op gang komen, aangestuurd door een innerlijke klok. Het daglicht dat opdringerig door de gordijnspleten heen sijpelde. Iedere dag opnieuw worden opgezadeld met dat moment. Zo zeker als het invallen van de schemering en het dagen van de dag. Het eerste moment was het nog dragelijk, wanneer het lijf ontwaakte terwijl haar hersens nog dommelden. Dat ogenblik tussen droom en bewustzijn, van zijn en tegelijkertijd nog niet helemaal zijn. Was dat wellicht wat zuigelingen waarnamen?
De wereld alleen zintuigelijk bevattend als een alerte intensive care unit die alle relevante levensdraden bewaakt. Temperatuur. Check. Voedsel. Check. Aandacht. Check. Schelle signalen klinken zodra een veld onvoldoende bediend wordt. Door ervaring wijzer geworden, wist ze dat blijven liggen wachten tot het ophield een nutteloze exercitie was. Evenals de hoop op de wetenschappelijke uitvinding van een hersenschakelknop die de gedachtestroom kon blokkeren.  

1 januari
Zoals de seizoenen ons juist op tijd behoeden voor vlagen van verveling, zorgt de jaarwisseling voor nieuw elan. Het voelt als het opslaan van de eerste bladzijde in een maagdelijk nieuw schrijfblok. Alles is nog mogelijk. Alles kan beter worden dan het vorig jaar was.  Dit pas begonnen jaar brengt ons die
bemoedigende en hoopvol stemmende belofte. Een belofte die we vandaag de hele dag mogen koesteren. En dan geeft het niet dat we later in de maand terugkomen op onze wilde afslankplannen, teleurgesteld er maar weer eentje opsteken of ons fonkelnieuwe sportschoolabonnement verontachtzamen. De jaarwisseling staat voor hoop op betere tijden en hoop moet je altijd blijven koesteren. Er zullen andere jaarwisselingen komen, nu we het einde der tijden volgens de Majakalender overleefd hebben. Er komen kersverse seizoenen die hoop in zich borgen. En goedbeschouwd, is ieder ontwaken niet een op een bepaalde manier een nieuw begin? Als in: dit is de eerste dag van de rest van je leven? Hoop is er altijd, overal. Vooral vandaag. Want vandaag is alles mogelijk.

Gelukkig nieuw jaar!

 

 

DOE HET ZELF MUZIKALE KERSTWENS 2012
(op de wijze van: Zing, vecht, huil, bid van Ramses Shaffy)

Voor degene die opnieuw moet gaan beginnen
Terwijl hij in de krant al afgeschreven bleek
Voor degene die een kerstkaart zo verdiende
en hem  dit jaar wederom niet kreeg

Voor degene die lak heeft aan de botheid
Die de roddels en de rotzooi slechts negeert
Die respect geeft, en niet vervolgens opeist,
Die anders zijn omarmt en accepteert

Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
En verwonder ons!

Voor degene die durf lijkt te ontberen
Voor degene zonder grote bek
Voor degene die losheid nog moet leren
Suggereer ik : doe eens lekker gek

Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
Observeer, leer, hoop, geef, leef, wees bijzonder
En verwonder ons!

 

december
Het is donker in hartje stad. Het is koud en het regent. De jaarlijkse
kerstboom op de Grote Markt komt pas als de Sint weer is afgereisd. Helaas
vandaag geen feestlichtjes om nog iets bij te dragen aan de druilerige
weersomstandigheden. Met mijn capuchon ver over mijn ogen getrokken fiets ik
rechtdoor langs V en D. Het zou niet meer moeten, zo vaak kom ik er langs. Maar toch, iedere keer verrast het me weer, die noodgedwongen snelle ruk  aan mijn stuur om naar links uit te wijken. En iedere keer moet ik dan even aan haar denken, aan mevrouw Kiki. Kiki is ongetwijfeld niet haar echte naam maar een alias uit zelfbescherming. Zodat ze niet wordt lastig gevallen bij de zoveelste  controversiële actie van haar. Ik kom mevrouw Kiki vaak tegen bij mij in de buurt. De wilde bos grijze haren, de eeuwige zelfgebreide truien in fletse pasteltint. Ik herken haar van de foto’s uit de krant. Mevrouw Kiki is namelijk professioneel actievoerder. Ze heeft over veel dingen in de stad een mening en dat zullen we weten ook. Bovenal is mevrouw Kiki begaan met de natuur. Als je aan een grasspriet komt, kom je aan mevrouw Kiki. Onvermoeibaar trekt ze ten strijde, daarbij geen mogelijkheid schuwend.
Publiciteit, jarenlange juridische procedures, protestbijeenkomsten, mevrouw
Kiki draait er haar hand niet voor om. Als woordvoerster van de bomen in
Groningen redde ze menig boom van gevreesde onthoofding. Ook de boom voor de V en D mocht na eindeloze procedures niet gekapt worden. En zo geschiedde het dat zich met permissie van de rechter al jarenlang een verkeerstechnische gevaarlijke situatie voordoet aan de Grote Markt in Groningen. Midden op straat staat een grote boom waar iedereen omheen moet fietsen. Toch raar dat ik mevrouw Kiki nooit zie staan in het jaarlijkse rijtje machtigste vrouwen van Nederland.

november
Na veertien jaar dienst bij een woningbouwcorporatie zou je
denken dat ik weet hoe ingrijpend renovaties kunnen zijn. Maar zoals het met veel dingen gaat, als het jezelf overkomt weet je pas echt hoe het zit. En dan mag ik nog mezelf nog gelukkig prijzen dat ik slechts aan de overkant woon. Mijn overlast blijft beperkt tot het verslepen van zware materialen in de brandgang zodat ik er met mijn fiets langs kan. Tot het rijden van eindeloze autorondjes omdat alle parkeerplekken worden ingenomen door in gelid staande kozijnen die trappelen van ongeduld. Om van geblokkeerde stoepen en straten maar niet te spreken. Het hoort er allemaal bij en het gaat weer over, ik weet het en accepteer het al mopperend gelaten. Maar het lawaai, het geboor, getimmer en getetter, nu al een maand dagelijkse kost. Dat kruipt als schimmel omhoog in mijn hersenpan en  maakt mijn verlangen naar stilte steeds prangender.
Was ik net blij met het plaatsen van de laatste dakpan en de
ontmanteling van steigers tegen de huizen, bleek het slechts een voorprogramma van het concert. De achterburen waren nog nooit zo dichtbij. Meestal hoor en zie ik ze alleen bij mooi weer, wanneer ze roken of zonnen op het achterbalkon.
Nu krijg ik een kijkje in hun complete woning omdat de hele gevel open ligt. Als
verrotte kiezen die gevuld moeten worden gapen de woningen me aan.
Het resultaat mag er uiteindelijk wezen, ons uitzicht is er
niet op achteruit gegaan. Verpletterend witte kozijnen die stralen van de
glanslak. De bordeauxrode balkonstijlen steken daar elegant bij af. Tot zover geen klagen. Alleen dat lawaai van de werklui die zelf met grote oordoppen op blijmoedig bouwen terwijl ik probeer mijn gedachten te ordenen en iets op papier te krijgen in mijn werkkamer. Met argusogen volg ik het proces van het vullen van de laatste kies. Wat wordt de toegift?


De bamboestruiken in mijn tuin laten arrogant hun enorme
elasticiteit zien. Moeiteloos buigen ze heen en weer alsof ze op yogales zijn. Vermoedelijk snoeven ze uit leedvermaak omdat de acacia van de buren- minder sportief – veel van zijn takken geknakt op de grond ziet liggen. Terwijl mijn haren alle kanten op bewegen en ik ze tenslotte maar onder mijn capuchon prop, wandel ik naar het plantsoen. Een enorme windvlaag doet zijn best ook de laatste blaadjes los te
wrikken. Als kaalgevreten visgraten staan de bomen op een rij.
Nooit eerder zag ik zo goed de bedoeling van de schepper
– de landschapsarchitect in dit geval – nu de contouren van het plantsoen zo
zichtbaar zijn. Ontdaan van gebladerte en kleur verandert het van een
olieverfdoek tot een ets.
Langs de vijver ligt een gevelde, totaal ontwortelde boom languit over het water een brug naar de overkant te vormen. Een jongeman riekt een uitdaging. Geconcentreerd klimt hij horizontaal de boom in. Zijn waagstuk wordt gefilmd door wat vermoedelijk zijn liefje is. Zal het zijn Facebookpagina halen? Ik vermoed van wel, want hij komt droog over.


Doorgaans ben ik een verbazingwekkend brave verkeersdeelnemer. Wat heet, steeds meer behoor ik tot de bijna uitgestorven fossielen die zich nog aan verkeersregels houden en niet al testend trachten een auto te besturen of al bellend brommer rijden. Je kent ze wel, zo iemand die nog stopt bij een zebrapad als zich daar een voetganger meldt of fietsers die van rechts komen voor laat gaan. Die niet de auto domweg dubbel parkeert, maar drie blokjes om rijdt en zich houdt aan de maximum snelheid. Ontzettend suf en ouderwets, ik weet het, maar zo doe ik het nu eenmaal.
Daarom was de schok des te groter toen ik die flits bemerkte terwijl ik ontspannend kuierend door het Groninger landschap reed. Ik dacht altijd dat die flitspalen ter afschrikking stonden, ik begreep ook dat ze niet altijd aan staan. Voor al die mede-naïevelingen meld ik nu: ze doen het wel.
Het licht is niet te missen fel en je weet ogenblikkelijk dat jij het bent die zo fraai op de foto komt. Geschokt keek ik op de toerenteller om te constateren dat ik 60 reed, net buiten de dorpskern maar nog niet buiten het dorp. Mijn excuus is dat ik werd afgeleid door mijn zoon die uitgebreid zat te vertellen hoe hij op zijn achttiende uit huis zou gaan, de vrijheid tegemoet. Nu pieker ik de hele tijd over wat dit zegt over een moeder
die bij zo’n bericht het gaspedaal indrukt. En zoals dat gaat, net toen ik dacht dat de boete niet meer kwam, gleed hij alsnog in de brievenbus. Bijna honderd euro vlak voor de duurste maand van het jaar. Hij zal vast wel snappen waarom Sinterklaas dit
jaar verstek laat gaan.

 

Herfstmiddag in Drente

De bekende bomenrij vlamt
als brandende lucifershoutjes,
tachtig Elsbeth Etty’s op een rij.

Opgestapelde, in plakken gezaagde
boomstronken langs de straat
lijken schijven wortels te zijn.

De zon zakt rood in vochtige aarde
waar wilde wieven vitrages
weven die me omhullen.


Een van de verrassendste boektitels ooit is voor mij nog steeds De man die zijn vrouw voor een hoed hield, van Oliver Sacks. Daar moest ik aan denken toen mijn jongste
zoon een stuk kaas verwarde met een nog keurig in zijn hygiënische hoesje
rustende pleister. Al eerder vermelde hij nonchalant in een bijzin dat hij niet
alles kon lezen op het bord in de klas. Al eerder opperden we dat een bezoekje
aan een opticien wellicht gewenst was. Maar hoe gaat zoiets, de waan van
alledag wint altijd. Soms moet je als mens met je neus op de pleister gedrukt
voordat je uiteindelijk de punt dempt.
Enfin, meteen uit school sleurde ik hem mee naar de brillenboer waar alle vermoedens bewaarheid werden. Zoonlief moet aan de bril. Een bril die altijd op moet, zelfs bij de keepertraining, al is een speciale sportbril dan aan te raden. De bezuinigingen in de gezondheidszorg en de koopkrachtplaatjes krijgen ineens een nieuwe dimensie. Zoons ongenoegen over het te allen tijde moeten dragen van een bril weegt niet op tegen de opluchting van ineens haarscherp kunnen zien.
‘Die winkel aan de overkant heeft 50% procent korting. Zonet zag ik alleen nog een vierkant!’
Met licht schuldgevoel vervoeg ik me met hem naar het leukste gedeelte van ons uitstapje: het uitzoeken van een montuur. Samen kozen we vervolgens de ultieme bril uit, waarbij helaas duidelijk bleek dat hij dezelfde goede, doch dure smaak heeft als zijn moeder. Met bril leek hij – onbedoelde bijkomstigheid – een stuk ouder en slimmer. Opgetogen kijkt hij uit naar het moment dat de bril voor hem klaar ligt. Ik hoop intussen vurig dat hij na de eerste gebrilde schooldag nog steeds even enthousiast is over de nieuwe aanschaf.


Een loom herfstzonnetje laat de boombladeren vlammen. In een
laatste schitterende stuiptrekking lichten ze roestig oranje op, als felle
vonken in het vuur voordat korte tijd later niets rest dan stakerig grauwe
skeletten en de winter definitief aanvangt. Een korte, hevige opleving vlak
voor de aftakeling zich ontrolt. Geen ander woord mogelijk als je vol
ontzetting moet aanschouwen hoe de natuur als ieder jaar weer wordt uitgekleed.
De enige hoop is het gelukkige besef dat in het vroege voorjaar het groen weer
uitbot en de lantarenpaalachtige kaalheid plaatsmaakt voor tere bloesems en lentegroene blaadjes.
Al kunnen we natuurlijk altijd geluk hebben, qua winterkaalheid.
Dat zijn de momenten van ijspegels die als stalactieten aan de bomen hangen. Of
wanneer de sneeuw een wonderwitte wereld tovert waar het stiller lijkt dan ooit
en alleen het kraken van ijskristallen onder je voeten hoorbaar is.


Best wel raar.
Buurvrouw E. ruimde haar werkkamer op. Ze bood mij een
limegroene rieten pot met deksel aan. ‘Is dit niet precies jouw  kleur?’ De sticker met slordig geschreven aankoopbedrag zat er nog op. Slechts 0.60 eurocent had ze ervoor moeten neertellen. Ze kocht de pot niet lang geleden bij de kringloop ter opluistering van haar werkkamer. Maar hoe gaat zoiets, zo’n ruimte wordt voller en voller en als er
dan uiteindelijk noodgedwongen gesaneerd moet worden, is dat toch vaak onder
het motto  last in, first out. Exit de vrolijk limegroene rieten pot met
deksel. Die inderdaad precies mijn kleur is en mijn smaak. En die ik daarom om
die reden jaren terug had aangeschaft. Maar hoe gaat zoiets, je leefruimte wordt
voller en voller zodat er uiteindelijk noodgedwongen gesaneerd moet worden en
zodoende schonk ik de limegroene rieten pot met deksel aan de kringloop.


Aan de overkant zijn ze immer nog  aan het bouwen. De daken beginnen steeds meer te lijken op een promotiefolder voor Sinterklaas. Nieuwe dakpannen komen er, met de allure van echte Sinterklaaspannen zoals je die ziet op dakpanpapier voor poppenhuizen. Een mooiwarme roestkleur waarop je elk moment de schimmel van de Sint verwacht. Gelukkig voor de buurkinderen duurt het nog even voor het zover is want Sint zou nu hopeloos struikelen. De Pieten daarentegen kunnen hier wat leren. Vol bewondering staar ik naar de jongleerkunstenaars die elkaar
dakpannen toewerpen zonder ook maar iets aan gruzelementen te gooien, al
balancerend op het puntdak. Als ze er nou niet bij zouden zingen zou het
tafereel helemaal volmaakt zijn.


Reizen met een kind vergt improvisatie. Zeker wanneer het
kind in kwestie bij een autorit van maximaal een uur al informeert ‘wanneer we
er nu eindelijk zijn.’ Ter afleiding spelen wij dan spelletjes. Wie de meeste
tractoren ziet bijvoorbeeld, waarbij die van John Deere dubbele punten scoort
omdat opa Schoonoord een dergelijk exemplaar bezit. Of om de beurt een
jongensnaam noemen met als beginletter de laatste letter van de vorige naam.
Zijn de mogelijkheden uitgeput,  dan stappen we simpelweg over op de meisjesnamen. Het aller populairste spel is echter raden welk bekend persoon de ander in gedachten heeft, terwijl die op vragen alleen met ja of nee mag antwoorden.
Bekend moet hierbij breed worden opgevat: van juf Judith tot Obelix, van nicht Vera tot koningin Beatrix.
Dit spel speelden wij eens onder invloed van zware jetlag na een
intercontinentale vlucht. Alhoewel we wisten dat de gekozen persoon bekend was ‘van radio en tv’ lukte het ons maar niet de door Wouter gekozen persoon te raden.
Achteraf bezien wel logisch, want zijn kinderlijke interpretatie van ‘bekend
van radio en tv’ verschilde mijlen breed van onze volwassen versie.
De naam die hij in gedachten had was Taco van Top TV, inderdaad bekend van radio en tv in onze kleine familiekring omdat wij bij Top TV al sinds mensenheugenis onze kijk- en luisterapparatuur aanschaffen.
De relatie met Taco, de eigenaar van Top TV, startte zo’n twintig jaar geleden toen hij net zijn zaak opende: een functioneel ingerichte toonzaaltje aangeplakt tegen een woonwijk waar hij zowel nieuwe als tweedehands apparatuur verkocht
en repareerde. De liefde voor het product zat niet in een gelikt gestylde
uitstraling van de zaak, maar spatte van de wanden waar de geschiedenis van de
radio en televisie duidelijk werd door de uitstalling van allerhande fossiele
toestellen.
Bij Top TV kocht ik mijn eerste tweedehands videorecorder met
behulp van een kerstgratificatie die ik betaalde met twee blauwe
girobetaalkaarten. Taco beloofde plechtig de ene in december en de andere in januari
te incasseren om het leed van zo’n grote hap uit mijn budget wat te verzachten.
Die belofte werd ingelost en al snel merkte ik ook zijn fantastische service
toen mijn toenmalige peuter wilde testen of ook boterhammen met pindakaas net zo
leuk naar binnen schoven als videobanden.
Met de jaren veranderde mijn gezinssamenstelling en budget. De tweedehands videorecorder maakte plaats voor een nieuwe dvd-speler en de compacte
dikbuikige tv in de kleinst mogelijke versie van een breedbeeld televisie.
Bij iedere nieuwe aankoop kwam Taco langs om het apparaat in kwestie op de juiste manier aan te sluiten en gebruiksklaar te maken. Dan installeerde hij foeilelijke geluidsboxjes en schrokken wij ons nog weken later een hoedje
bij onverhoedse geluiden uit voorheen onverwachte hoeken. ‘Het geluid moet goed
doorklinken, daar heb je tenslotte Dolby Surround voor,’  aldus Taco.
We hopen maar dat hij het ons niet kwalijk neemt dat we de boxen zo veel mogelijk verstoppen achter kasten of bloempotten. Want onze relatie met Taco houden we graag goed  voor als we weer eens moeten bellen als de kat per ongeluk een draad los getrokken heeft en hij ons op afstand coacht.

 

oktober
Grote bewondering heb ik voor mensen die met hun handen werken. Die uit niets iets nieuws fabriceren, hun verbeelding gebruiken om iets geheel eigens te scheppen. Schilderen, beeldhouwen, een kast in elkaar timmeren. Of mensen die technisch zijn, daar kan ik ook met kwijlende adoratie naar staren. Natuurlijk ingegeven doordat ik zelf zo’n nitwit ben op al die gebieden. Vraag mij niet iets te tekenen als je ook nog wilt kunnen zien wat het voorstelt. En ook op technisch vlak is het raadzaam willekeurig wie, anders dan mijzelve te vragen om advies. Natuurlijk leer je noodgedwongen wel iets bij wanneer je zelfstandig woont. Zo weet ik inmiddels welke stekkers ik waar uit
moet trekken wanneer internet weer eens kuren heeft en de hele boel gereset
moet worden. Al moet gezegd dat ik in die voorkomende gevallen stelselmatig meer
stekkers los trek dan nodig is, omdat ik ieder keer vergeet welke het ook weer
waren. Een kniesoor die daar op let, het resultaat telt.
Met vallen en opstaan en hulp van lieve (toegegeven: vaak mannelijke) familieleden sla ik mij door menig technisch falen in huis. Toch speelt ook toeval een rol. Onlangs hoorden wij van een buurvrouw dat mechanische ventilatiesystemen wel eens een schoonmaakbeurt kunnen gebruiken, net als schoorstenen zeg maar. Sinds we ons als eerste bewoners in dit nieuwbouwhuis installeerden, nu bijna twintig jaar geleden, kwam dit niet eerder in ons op. Dankbaar maakten we gebruik van de komst van de ventilatieveger, die blijmoedig en onverschrokken het hele huis overnam. De douchecel voordat ik er gebruik van had kunnen maken die ochtend, de wasruimte op zolder voordat ik de schone was weg had kunnen halen waar hij met gemak omheen werkte: ‘Zoveel troep geeft dit niet mevrouw, laat lekker staan.’
Toen ik na zijn vertrek de vuile waszak met omhulsel en al in de wasmachine propte was ik toch blij het schone wasgoed snel weggegraaid te hebben. Hoeveel bewondering ik ook heb voor al die reparateurs die ons jarenlang
terzijde stonden, hun vuilbeleving is toch daadwerkelijk een interessant
onderzoeksobject. Maar mij hoor je niet klagen, zeker niet met die orkaankracht
waarmee mij geventileerd worden tegenwoordig.


Boven op zolder, in de witte muurkast die slechts sluit met een versleten douchegordijn, liggen mijn vakantielaarzen. Stevige, bruin leren stappers zijn het die alleen dienst doen tijdens vrije dagen waar zeewater en schurend zand aan zet zijn. Als daagse schoen werden ze tijden terug al bedankt voor bewezen diensten. Ze oogden te plomp, te vaal en de rechterschoen leed aan hetzelfde euvel als veel van mijn schoenen: de grote teen wiebelt zich van binnenuit een weg naar buiten waardoor bovenop een bobbeltje ontstaat. Als afgetobde circuspaarden op een kinderboerderij zitten ze hun tijd uit totdat heel af en toe het douchegordijn opzij schuift en ze met knipperende ogen het daglicht aanschouwen. Gisteren was het weer eens zo ver. Ik trok ze uit hun verstop hoek en poetste ze nog wat op om al hun onvolkomenheden te verbloemen. Toen trokken we er samen op uit, mijn schoenen en ik. Met de auto, de boot en de bus en het laatste stukje met de benen. Moe van de reis strompelden we het huurhuisje binnen, waar ik mijn trouwe dragers meteen verloste van hun zweterige inhoud. Links de rits open, rechts de rits … Waar zit rechts de rits? Vertwijfeld kijk ik naar omlaag om te ontdekken dat ik twee verschillende schoenen aan heb.
Als er iemand aan vakantie toe is…


Een van de meest onderschatte schatkamers van de moderne mens is toch wel die van de Openbare Bibliotheek. Op het gevaar af nu voor ouderwets te worden versleten natuurlijk. Want ja, wie leest er nog tegenwoordig? Slechts oudere vrouwen komen af op de talrijke leesclubs en auteursvoordrachten, tenminste als ik de mensen die dat kunnen weten mag geloven. Anderen lezen alleen nog via de computer of mobiel en meer dan honderveertig tekens per sessie kunnen ze blijkbaar niet hanteren. Blijmoedig accepteer ik echter mijn fossiele status en begeef ik me regelmatig naar die grote schatkamer.
Iedere keer overvalt me een luxegevoel als ik de bibliotheek betreed. Wat zal ik nu weer eens meenemen? Over welk onderwerp wil ik me nu weer eens buigen? Soms zoek ik gericht via de computer naar een boek. Andere keren ben ik meer van het neuzen en snuffel ik me een weg tussen de verleidingen die in lange rijen voor me staan uitgestald. Ik kan een gevoel van triomfantelijkheid nooit onderdrukken wanneer ik een door mij begeerd en gereserveerd boek kom afhalen. Aan de hand van mijn ooit gelezen boekenlijst lukt het een vreemde als vanzelfsprekend zich een beeld te vormen over mijn leven. Een ander voordeel van de bibliotheek is de weldadige stilte. Waar vind je in de stad nog een openbare ruimte waar het relatief stil is? Waar je aan in het gelid staande lange rijen tafeltjes rusitig kunt lezen of schrijven of domweg wegmijmeren in stilte? Bij toeval ontdekte ik deze week mijn totaal aantal uitleningen: 1898. Alhoewel ze wel zullen zijn gaan tellen vanaf het moment van de digitalisering van de boekenuitleen.
Bezuinigen prima, maar niet op de bieb.


Terwijl ik al fietsend laveerde in de vrijdagmiddagspits, rekening houdend met dubbelgeparkeerde auto’s, fietsers die vanaf de stoep snoeihard invoegden en mobieltjes lezende overstekende wandelaars, viel de regen bij bakken naar beneden. Herfst. Het getik op mijn capuchon klonk gezellig en ik moest ineens denken aan De Rij.
De Rij vormde zich aan het eind van die verzuilde jaren zestig. Voor mijn ouders was het volgen van christelijke onderwijs zo zonneklaar als kerkgang op zondag en gebed voor het eten. Wij kinderen wisten simpelweg niet beter. In die tijd overlegden ouders niet op voet van gelijkheid met hun kroost en aten kinderen nog gewoon groente tijdens de warme middagmaaltijden. Mijn christelijke basisschool lag mijlenver weg van ons huis. Zo ontsproot al snel de georganiseerde haal- en brengdienst die we De Rij noemden. Daar liepen wij leerlingen, met ons veertienen aan een lang koord met aan beide zijden grote lussen. Aan iedere lus een vastgeklampt kind als een omgekeerde chain gang, zo’n cluster Amerikaanse gevangenen dat geketend aan de enkels in lange rijen nuttige bermklussen verricht. Gevangen voelden we ons. Wee je gebeente als je de lus los liet. Bij weer en wind wandelden wij op deze voet vier keer per dag heen en terug naar school. Als het regende drapeerden onze begeleidsters een doorzichtig plastic zeil over onze hoofden. Dan werd het eindelijk een beetje knus door het getik van regendruppels die ons ritmisch begeleidden op onze tocht.


Terwijl ik zit te schrijven glijdt mijn blik automatisch naar bewegingen aan de overkant. Mijn werkkamer op de eerste verdieping kijkt uit op een rij bovenwoningen, die vermoedelijk nog stammen van voor de oorlog. Beneden bevinden zich kleine arbeiderswoningen met postzegeltuinen. Die tuinen waren twintig jaar geleden nog flink aan de maat, maar zijn inmiddels afgekalfd ten gunste van nieuwbouwwoningen waar ik er een van bewoon. De bovenwoningen zijn omvangrijker, met meer slaapkamers, een balkon en schuin dak. Een echt huis, zoals schoolkinderen hem tekenen, ook al wonen ze tegenwoordig zelf vaak in een nieuwerwets pand met plat dak.
Aan de overkant is een grondige renovatie aan de gang. Al wekenlang laten timmerlui luidruchtig van zich horen. Poes Ginny staart iedere ochtend gebiologeerd naar de gigantische kraanwagen die bouwmaterialen over het dak tilt. Dol op touwtjes en draadjes lijkt ze zich likkebaardend te goed te doen aan het gigantisch koord van de hijskraan.
Vandaag zijn het echter niet de werklui in de blauwgrijze werkkloffie met stoere gereedschapsband die me afleiden, maar mannen in spierwitte pakken. Ghostbusters lijken het. Witte overalls met strak over het hoofd getrokken capuchons. Niet zichtbare gezichten, want verstopt onder wat lijkt op een gasmasker met een lange slurf eraan. Asbestverwijderaars? Ik ben me ineens bewust van de overal openstaande steekramen en spoed me als een tornado door huis om vliegensvlug alle kieren te dichten. Pas lang nadat ze vertrokken zijn laat ik weer frisse lucht toe.
Ik ben ze al weer vergeten als ik ’s avonds het journaal bekijk. Een rechercheteam van de politie speurt naar sporen van een moordaanslag. Hun uitdossing is exact hetzelfde als die van de spookverjagers. Het zet je toch aan het denken.


Je vraagt je af waarom een dokter, coach of therapeut het niet standaard voorschrijft. Ook ziektekostenverzekeringen zouden zich toch tenminste achter de oren moeten krabben. Welk medicijn werkt zo effectief en kost zo weinig? Het zal u niet verbazen: ik heb het over zingen.
Zingen is gezond voor alles en goed voor iedereen. Zingen kan een naslepende slijmvoorraad op de borst doen slinken, wegtrillend naarmate de tonen aanhouden en langer doorresoneren. Die geluidstrillingen glijden door het ganse lijf en laten daarmee nare gedachten en muizenissen verdwijnen als sneeuw voor de zon.
Zingen kan bijna altijd en overal. Onder de douche is bijvoorbeeld een uitstekende mogelijkheid. Het is daarbij aanbevelenswaardig lekker ruikend doucheschuim te gebruiken. Probeer het eens, het ondersteunt werkelijk bij het uit volle borst uitstieten van je toon. Al die welluidende klanken, zich vermengend met stoomwolken en schuimend zeepsop maken schoner schip dan ooit.
Op de fiets zingen is ook een aanrader, de buitenlucht schenkt het timbre iets aards en winderigs. Probeer dat overigens wel zonder familieleden, met name zonder die van zeer jong origine. Hoe vaak ik niet geblokkeerd ben tijdens het zingend fietsen/fietsend zingen door een beschaamd sissend: ‘mama, stop!’ En dan deed ik nog niet eens of ik plots op een brommer reed, met zo’n lekkere handdraai om het stuur en zo’n kek heng, henggeluid.
Toch is de allerhelenste vorm van zingen die van de samenzang. Niet voor niets al eeuwenlang in religies toegepast. Meerstemmig zingen maakt dat je eigen stem ineens prachtig klinkt, ingebed tussen andere klankkleuren en tintelend harmonieuze tonen. Jouw eigen geluid komt tot leven en het leven daarmee als een vrolijke boemerang naar jou.


Ik rumineer me suf de laatste tijd. En voor jij als lezer nu een aanval van pijnlijke onzekerheid krijgt: ik kende het woord ook niet. Mijn schrijfdocent sommeert het gebruik van nieuwe woorden. Drie keer zo’n kersvers begrip gebruiken bij het schrijven of spreken betekent dat het eenvoudigweg aan je woordenschat wordt toegevoegd. Welke blogger wil dat nu niet? Deze blogger in ieder geval wel. Zeker omdat rumineren erg slecht voor blogbijhouden blijkt te zijn, te meer wanneer de blogger streeft naar teksten met kenmerken als die van de Bros melkchocoladerepen. Repen die helaas tegenwoordig nergens meer in de schappen te vinden zijn.
Alhoewel het voor de hand lijkt te liggen heeft mijn rumineren niets van doen met het seizoen, al moet gezegd dat de neerdwarrelende blaadjes en donkere luchten een uitstekende klankkleur vormen bij mijn stemming.
Mijn gemoedstoestand heeft een aanwijsbare reden van tijdelijke aard. Hoopvol wacht ik daarom tot hij aftaait met medeneming van leedverzwaarde botten, enkel slepende enkels, luimen als neergeslagen slagroom en geconstipeerde woordenbrij. Hopelijk wil een heftige herfstbui een handje helpen blazen.

Denken aan vroeger levert me doorgaans echter nauwelijks concrete beelden op. Foto’s helpen stellig bij het speuren naar verhalen, alleen blijft het voor mij immer de vraag of zo’n anekdote daadwerkelijk vanuit mijn eigen herinnering naar boven borrelt. Neem bijvoorbeeld de foto van mij als baby op de arm van een vertederend kijkende matroos. Het klopt ongetwijfeld dat hij mij regelmatig liefdevol de fles gaf, terwijl mijn moeder onderwijl kotsend over de reling hing en mijn vader het schip veilig door Finse wateren koerste. Ik weet daar in ieder geval niets meer van. Mijn eerste herinnering is een traumatische val van de trap toen ik drie was. Daar is geen foto van, dus ik mag aannemen dat de beelden die bij me opkomen mijn eigen herinneringen zijn. Al is ook deze ervaring ontegenzeggelijk gekleurd door informatie achteraf van volwassen getuigen van het incident.

Over herinneringen en de werking van het geheugen zijn boeken vol geschreven door wetenschappers. Herinneringen hebben nogal de neiging te vervagen en te vervormen. Vraag verschillende personen naar een bepaalde gebeurtenis en je krijgt uiteenlopende verhalen. Dat onze gevangenissen zo goed gevuld zijn is dus deels een raadsel. Voor sommige jeugdherinneringen kan de vervaging niet snel genoeg toeslaan en voor de pareltjes geldt: gelukkig hebben we de foto’s nog.

september
De R is weer in de maand. Dat betekent op zondagmiddag weer naar de bibliotheek kunnen, de kachel weer aan mogen doen en de winterjas van zolder halen. Helaas betekent het deze week ook de R van griep en verkoudheid. Altijd weer een wonder hoe zo’n klein virusje zo’n verwoestend effect kan hebben op een doorgaans gezond lijf. Zodra de keelpijn begint weet ik al hoe laat het is en snel ik naar de drogist voor stapels tissues, neusdruppels en hoestdrank. Die hoestdrank voor vastzittend slijm draagt de prozaïsch-onsmakelijke naam ‘Fluimuciel’ wat voortdurend op de lachspieren van mijn levenspartner werkt. Na twee slapeloze hoestnachten is mij die lol overigens wel vergaan.
Steevast patroon bij verkoudheid is het verliezen van mijn stem. Dit wijt ik aan een zangoptreden van jaren geleden, waar ik ondanks een fors opgezette keel tussen de snotneuzen door een aria zong. Volgens een gerenommeerde Groningse zanglerares is die gevolgtrekking volslagen onzin, maar het is een feit dat mijn stem vanaf die periode bij iedere verkoudheid van een heldere sopraanklank verandert in een bromkrakende bastoon. De enige remedie om daar snel van verlost te zijn is absolute stemrust. De thuisgeliefden zijn daar inmiddels aan gewend, al blijft het vervelend. De oudste wordt er licht kribbig van, de jongste is verontwaardigd en soms verdrietig dat ik niet spreek. Hij snapt wel waarom ik hem wakker fluit of klap, maar wil dan graag bevestigd zien met woorden dat ie echt, heus, inderdaad wakker moet worden. Net als iedere ochtend.
Voor mij is het overigens ook vervelend. Het is confronterend om te merken hoeveel ik gewoonlijk praat, waar nu slechts stilte overheerst. Geen snelle recensie op een rare opmerking in de krant., geen spitsvondig mening over welk futiel onderwerp dan ook. Frustrerend is het ook. Je wilt je toch uiten als mens. Briefjes schrijven is veel te tijdrovend. Gebaren met handen en voeten kent eveneens beperkingen. Mime maar eens genuanceerde opmerkingen als: ‘hoe vaak moet ik nog zeggen dat je je eigen rotzooi achter je kont moet opruimen en dat geldt ook voor de hagelslag die op en onder je stoel ligt, omdat jij weer eens je boterham belegde met vier keer zo veel korrels als ik vroeger op mijn boterham mocht doen, toen ik zo oud was als jij,.’ Geloof me, dat is geen sinecure.


Leven in een huishouden met een fanatieke vegetariër (vlees nog vis) en een carnivore probleemeter is niet altijd simpel. Het vergt een enorme dosis creativiteit, inventiviteit en laissez-faire om zo’n gezin in leven te houden. Zeker als je in ogenschouw neemt dat ons ingebouwde gasfornuis slechts vier pitten telt. Zodra de probleemeter een gerecht aan zijn karig arsenaal toevoegt, ben ik er als de kippen bij om dat op de menulijst te zetten. Soms vraagt dat om enige bijscholing. Zo leerde ik kort geleden van mijn vader hoe ik draadjesvlees moet maken. Draadjesvlees met echte jus dan wel te verstaan. Dat vlees koopt men bij een echte slager die nog weet van de hoed en de rand. Dus kom ik sinds kort bij een echte keurslager bij mij in de buurt. Zo’n slager die je niet veel meer ziet, met karkassen op de achtergrond, en een echte koelcel. Een gewone buurtslager is het, met immer een wit schort voor en echte slagershanden waarvan je weet dat ze het uitbenen aankunnen. Voor zover ik weet is het geen groene slager. Inconsequent van mij, ik weet het, omdat ik in de supermarkt wel altijd diervriendelijk verkregen vlees koop. Maar deze slager zit zo fijn op de route van A naar B.
Onlangs kocht ik daar een doos scharreleieren. Tevergeefs zocht ik naar een datum op de doos.
‘Hoelang zijn deze eieren nog houdbaar?’ vroeg ik de slager. ‘Nog wel een aantal weken mevrouw. Ziet u, er staat geen datum op de doos en dat doe ik expres. Dan kunnen ze niet sjoemelen met de stempels op de eieren en weet ik zeker dat het scharreleieren zijn.’ Het was duidelijk dat hij zeer in de nopjes was met zijn slimme actie. Mij liet hij ondertussen in diepe verwarring achter. Waarom zijn voor een niet-groene slager scharreleieren zo belangrijk? Zitten in dozen met data erop geen gestempelde eieren? Hoe weet hij eigenlijk dat mijn gekochte eieren nog weken meekunnen?


Vanochtend fietste ik op een droog moment tussen de buien door langs de grachten van Groningen de bij vlagen heftige tegenwind trotserend. Op de slingerende singels met hun lange bomenrij moest ik slalommen langs neergestorte kastanjes, onderwijl hopend dat er niet toevallig net een op mijn hoofd zou vallen. Alsof dat nog niet genoeg was, werd mijn vage vermoeden plotseling bevestigd door een voorbijvliegende kraai met pepernoot in zijn bek. Het is duidelijk: de herfst is in aantocht.
Wij Nederlanders vormen een bevoorrecht volk. Wij kennen namelijk seizoenswisselingen. Net wanneer wij denken: wanneer komt er toch eens een eind aan die ellendige zonneschijn, die ellenlange zomeravonden waarbij het maar niet donker lijkt te worden, die eindeloze dagen vol zwemmen in zee en fietsen met blote benen in opwaaiende zomerjurken, net op dat moment springt de hitsige herfst met een luidkeels boegeroep achter de bomen tevoorschijn.
Oké, toegegeven, dat denken wij Nederlanders nooit omdat onze zomers allang niet meer doen wat ze moeten doen. Maar toch kent iedereen de bevrijding van de eerste sneeuwvlok of sneeuwklok die een verandering aankondigt van sfeer, temperatuur en mogelijkheden. Zomaar, gratis en voor niets een nieuw seizoen, steeds maar weer. Kicks voor niks. Vreemd dat je daar nooit iemand over hoort. Daarom doe ik het nu maar.


Als studenten aan de Schrijversvakschool onderwerpen wij ons aan de meest bizarre opdrachten van onze docenten. Omdat zij allemaal de sporen op het schrijverspad verdiend hebben, ieder op eigen terrein, rest ons niets dan ons als proberende schrijfpeuters open te stellen voor weer zo’n fijne huiswerkopdracht. Zo schreven wij verhalen met gemiddeld vijf woorden, gedichten in de trant van de Tachtigers en de Vijftigers en toneelteksten met geamputeerde taal. Ja, denk daar maar eens even over na. Creatief word je er van, ik kan niet anders zeggen. Vorige week kwam het zogenoemde object writing aan de beurt. Dat behelst vijf minuten aan een stuk door schrijven over een willekeurig voorwerp, waarbij al het geschrevene zintuiglijk moet zijn. ‘Balletje hooghouden’, noemt mijn docent dat en dat is nog niet eenvoudig getuige mijn probeersels hieronder.

De laadbak
Een laadbak zit aan de achterkant van een grote auto. In plaats van een achterbank die doorgaans overdekt is, staat een laadbak in verbinding met de buitenlucht. Je kunt erin plaatsnemen en al rijdend de wind door je haren voelen waaien. Als je pech hebt voel je hoe je langzaam nat wordt van druppels regen die op je neerdalen. De laadbak is van ijzer, meestal minstens twee meter lang en wordt omheind door ijzeren zijkanten. Aan het lange uiteinde is de laadbak te openen. Met een klap en piepende geluiden kraakt de bak open en is het mogelijk om er een houten schot tegen te plaatsen waardoor blatende schapen hard hollend op wiebelende poten de auto in gedreven kunnen worden. Uit angst zullen ze hun plas en drollen verspreiden en die geur is dusdanig dat gezellig tussen hen plaatnemen niet echt aan te raden is. Nee, het volstaat om ze even lekker door hun warme wollige vacht te kroelen en de zachtheid van de toekomstige wol je hand te laten strelen. En vooral niet te denken aan hoe zo’n schattig schaapje in de laadbak straks verdwijnt en verandert in een smakelijk lamsboutje dat likkebaardend door een restaurantgast wordt opgepeuzeld.

Whisky
Whisky is een drank die vol zit met alcohol dat merkbaar aanwezig is wanneer er een slok van genomen wordt. De mond wordt geprikkeld door duizenden stekende naalden op die plek op de tong waar zich de bittere smaak laat proeven. Een slok whisky verwarmt de keel en buikholte en wordt daarom vaak gedronken wanneer het koud is en de kilte in de lucht de spieren doet verstijven.
De charme van Whisky zit vermoedelijk in de verpakking, die duur aandoet en een zekere elegantie uitstraalt; vierkante glazen flessen zijn het, met een intrigerend label erop. Met een dop die ook al zo excentriek van vorm is en niet zou misstaan op een dure fles parfum. Wanneer die dop open gaat met een ploppend geluid is een krachtige geur te ruiken die bedwelmend werkt voor mensen die zelf niet vaak Whisky drinken. Het doet me denken aan de dronkenmansrit uit mijn studententijd toen ik samen met mijn medestudente meeliftte met een vertegenwoordiger die hoogstwaarschijnlijk vaak Whisky tot zich nam. Eenmaal binnen gesloten in zijn voortrazende bolide roken we een sterke alcoholgeur en zagen we van dichtbij zijn rode gezicht met de gesprongen adertjes die doorgaans als indicator voor alcoholisme geldt.


Van nature geen sporter heb ik toch af en toe de neiging tot bewegen. Soms om onrust te bezweren, soms uit gezondheidsmotieven en ook wel wanneer de zon schijnt en de dag als een blanco bladzijde voor mijn netvlies verschijnt. Afgelopen zondag scheen de zon en aldus toog ik op mijn fiets het fietspad af dat zich vlot de stad uitslingert.
Fietsen is doorgaans ook al geen hobby van me. Het voordeel hiervan is dat ik me niet na mijn pensioengerechtigde leeftijd samen met mijn partner in identieke ANWB fleecejassen hoef te hijsen om al logerend bij Vrienden op de Fiets in doorzakmatrassen het land te doorkruizen. Als ik mijn partner zo ver zou krijgen tenminste, wat ik ernstig betwijfel. Nee, mijn stadsfiets doet gewoonlijk precies wat ie moet doen: door de stad fietsen en mij probleemloos van A naar B vervoeren. Dat neemt niet weg dat het een genot was om langs het kanaal te rijden, onder overhangende boomtakken door het nooit eerder gekozen hobbelige, ongeplaveide weggetje. Dat ik af en toe moest afstappen vanwege een fanatieke tegenligger of in mijn nek hijgende achtervolger was geen straf. Ik gleed eenvoudigweg naar rechts,
waar ik uitkeek over de landerijen en aandachtige werd aangestaard door onverstoorbaar kijkende, gras kauwende koeien.
Bij gebrek aan bankjes op de route posteerde ik mij op een kleine ophaalbrug. Daar haalde ik mijn thermosfles thee tevoorschijn terwijl ik aandachtig de roeiers bestudeerde en de mevrouw met zeilpak aan de wallekant die tevergeefs een versterkende spreektoeter aan de praat probeerde te krijgen.
Toen ik helemaal tot rust gekomen was gingen ineens de slagbomen naar beneden, voorafgegaan door een rinkelende bel. Gelukkig was ik zo slim om op het vaste gedeelte van de brug te zitten, maar een beetje gevangen voelde ik me wel. Ineens klonk als uit het niets een harde stem: ‘Wilt u zo vriendelijk zijn achter de slagbomen plaats te nemen!’ Bedremmeld keek ik om me heen waar die stem toch vandaan kwam. Vervolgens sloop ik met mijn theebeker de brug af, mijn fiets eenzaam achterlatend. Die stem kwam uit Lauwersoog vertelde de fietser die naast mij stond te wachten. Dertig kilometer verderop zagen ze mij zitten vanaf camerapalen die ik niet eerder gespot had. Helemaal duiden kan ik het niet, maar ik vond het geen fijn gevoel.


Onze afwasmachine is stuk. Al drie dagen lang en het duurt nog eens zo’n tijdsbestek voordat de reparateur opdraaft. Er zijn weinig huishoudelijke klussen te bedenken waar ik meer een hekel aan heb dan aan afwassen. Terwijl ik voor die andere wasklus mijn hand niet omdraai. Blijmoedig vervul ik me van de mij toebedeelde taak tot het reinigen van kleding en linnengoed. Zelfs de wedstrijdkleding van complete junioren- en veteranenteams verwerk ik als notoire voetbalhater in het bezit van voetbalminnende huisgenoten zonder enige tegenzin. Al zou die tegenzin buitengewoon gerechtvaardigd zijn. Het is nogal een opgave om elf slordig uitgetrokken langemouwenshirts weer uiteen te peuteren. Om in elkaar gefrommelde, naar zweet en modder riekende sokken binnenste buiten te keren terwijl kluiten aarde en grassprieten langs bedrijvige vingers glijden, daarmee rugrillingen veroorzakend. De veteranen – het moet gezegd – doen beter hun best bij het uittrekken van de tenues. Slechts hoogst zelden moet ik ingrijpen voor de vuile boel de wasmachine in gaat. Al is het werk daar zwaarder omdat de zweetlucht beslist pregnanter tot me komt en me soms zelfs tot adem inhouden dwingt. Maar al met al is het wassen voor mij geen karwei. Rustgevend juist. Vooral wanneer ik voldaan de natte, geurende kledingstukken neervlij op de rekken.
Nee, dan het wegwerken van de vaat. Het is zo veel, zo vaak. Te vaak. De hele dag door, ik durf bijna niet meer te eten of drinken uit angst voor de afwas. En dan dat zeepsop: funest voor handen die uitdrogen en aanvoelen als schuurpapier. Mijn afschuw is zo erg dat wij nu tijdelijk eten van papieren bordjes en drinken uit plastic beters. En dan leven we nog niet afwasvrij. Nog drie dagen en drie nachten.

 

‘De afkickverschijnselen zijn het ergst vind ik. Steeds betrap ik me erop dat ik controleer of er echt niet, ergens, toch nog… Enfin, je kent het wel. Hoe doe jij dat dan?’

‘Ik herken wel wat je zegt. Die onrust, dat knagende gevoel, dat gapende gat in de avonduren. Er mist iets. Zelfs als je er even niet aan denkt, weet je onbewust dat er iets niet klopt. Dat je iets nodig hebt. Meteen.’

‘Precies! Dat heb ik net zo. Al probeer je het wel weg te stoppen natuurlijk. Gunst, wat ik allemaal niet doe ter afleiding. Propvolle laatjes uitmesten, mijn nagels driekleurig lakken, alvast de aardappels voor morgen schillen. Gisteren zag ik mezelf zelfs ineens – niet verder vertellen- mediteren in lotushouding op het vloerkleed voor de tv.’

‘Zover ga ik gelukkig nog niet. Al krijg ik wel klachten van Kareltje nu ik me weer strak aan zijn bedtijden houd. Het is misschien maar goed dat het over is.’

‘Je hebt gelijk. Al ben ik stiekem dankbaar dat we volgende week na Prinsjesdag opnieuw debatten krijgen. Voelt het toch weer even als vanouds’


‘Waaaaaaaaat?’ Wouter is verbijsterd. ‘Speel jij gitaar? Waarom weet ik dat niet?’
Ik vertel hem dat ik de gitaar die ik op mijn veertiende kreeg al heel lang geleden aan mijn oudste broer schonk, omdat ik er nooit meer op speelde. Hierna was de verontwaardiging niet meer van de lucht. Hoe ik zo stom had kunnen zijn. Dat hij altijd al een gitaar had willen hebben. Dat je zoiets als een gitaar toch niet zomaar weg geeft. De informatie dat die gitaar al lang voor zijn geboorte uit huis verdween, wordt gepikeerd van tafel geveegd.
Het zette me aan het denken. Al jaren probeer ik tevergeefs eerst bij het inmiddels volwassen en nu ook bij het opvolgkind een muziek, ballet- of toneelcursus te slijten. Iets overdekts in ieder geval, iets cultureels ook. Iets wat ik snap en kan waarderen. Iets waar je niet voor langs de lijn hoeft te staan kleumen, onderwijl gapend turend naar kriskras rennende kinderen met een bal.
Ik zag mijn kans schoon en lonkte hem een basiscursus gitaar binnen. Slechts acht lessen, met mogelijkheid tot verlenging. Ideaal voor als het toch niet zo’n magische greep blijkt te zijn. Op de verjaardag van mijn neefje vertelde ik over de gitaarles en Wouters heftige verontwaardiging. En wat blijkt: mijn oude gitaar leeft nog steeds, en wordt inmiddels vergezeld door betere collega’s. Hij kan dus zonder problemen uit logeren. Hij heeft nog steeds dezelfde mooie gele kleur, nog steeds het vertrouwde gat aan de achterzijde veroorzaakt door het vervoer naar mijn wekelijkse gospelkoorrepetitie, nu ruim dertig jaar geleden. Wat nieuwe nylon snaren erop en aan de oefengitaar zal het niet liggen als de gitaardroom minder rooskleurig blijkt dan voorzien.


Ik opende zijn paarse gruitbox en hield hem boven het aanrecht. (Nee, dit is geen verschrijving, het is echt een gruitbox. Gruit, voor wie het nog niet wist, is een samentrekking van groente en fruit. De box was ooit een cadeautje van vermoedelijk een landbouwlobbygroep ter bevordering van groente- en fruitgebruik door schoolgaande kinderen. Mijn kind is doorgaans zeer ontvankelijk voor beïnvloeding, meestal door peers. Zo kan dan ineens die rode trui niet meer, of zijn sandalen zomaar uit den boze. Ook laat hij zich liever zeiknat regenen dan die prachtige diepblauwe regenjas van de HEMA aan te trekken. Terwijl ik er nog zo op gelet heb dat er deze keer niet meer zo’n grappig Jip en Janneke tekening op staat. Enfin, die lobby leverde helaas in zijn geval niets op, maar die gruitbox is niet stuk te krijgen.)
Gewoontegetrouw dwarrelen lege koekpapiertjes of plastic omhulsels van rietjes naar beneden, of als ik pech heb een half afgebeten, sompige boterhamkorst. Nu viel er een klein, slordig gevouwen notitieblaadje uit, duidelijk in drift afgescheurd getuige de extreem rafelige rand. Met potlood staat er een boodschap op geschreven. De letters zijn flink ingekerfd in het papier en staan gedecideerd rechtop: ‘je hebt me geen eten voor de eerste pauze meegegeven!!!’
Voor iedereen is zo’n eerste schooldag weer even wennen.


Tijdens het straatfeest zat hij er ineens. Op een bankje alleen. Erbij en er toch niet helemaal bij. Voor zich uit starend, een man uit een stuk. Een buurman vertelde dat hij hout geleverd had voor het jaarlijkse kampvuur. Waarschijnlijk wilde hij zijn gift in werking zien. Hij droeg niet zijn gebruikelijke outfit: een knalgele, stijf als een plank om zijn lijf hangende gele regenjas. Zo’n ouderwetse schippersjas uit de jaren vijftig, doorgaans afgemaakt met bijpassende zuidwester die wind van alle kanten trotseert. Een zuidwester droeg hij niet, zijn jas had een capuchon die als een afwasteil boven aan zijn rug hing. Hij fietste vaak door onze straat in die jas. We maakten kennis toen hij me vroeg of ik zijn capuchon goed kon doen, die moest platter. Mijn pogingen tot plooien bevielen niet erg geloof ik, maar hij nam het me niet kwalijk. Sindsdien groette hij altijd als hij weer eens voorbijkwam in die jas. Het weertype was overigens geen aanleiding tot het dragen ervan. De jas weerspiegelde zijn conversatie. ‘Mooi weer is het. Ik denk dat er wel een buitje komt. Kijk maar naar de wolken. Mooi weer. Ja, er komt wel een buitje.’ Ook bij smurfenblauwe luchten en hoogvliegende zwaluwen voorspelde hij zich verkneukelend zo’n bui.
Nu ik er langer over na denk bedenk ik me opeens dat ik die jas al een tijd niet meer zie. Nu draagt hij meestal iets beigeachtigs, onopvallend in ieder geval. Nu is het veel meer het geluid waarmee hij de aandacht trek. Een opvallend ratelend geluid, in het begin schrok ik er nog wel eens van als ik me voorstellingen maakte bij de oorsprong ervan. Nu weet ik dat hij het is en hoor ik het al nauwelijks meer. Zoals de treinen die een paar keer per uur voortrazen langs het raam ook horen bij de vertrouwde geluiden. De jas is ingeruild voor een magazijnvoertuig. Een platte kar met handvat waar een pallet hout op past. Die trekt hij dagelijks door de straat en de buurt. De buurman van verderop vertelt dat hij ineens zo’n pallet kreeg uitgereikt. ‘Wat moet ik daarmee? Ik heb geen open haard.’ ‘Jawel, jawel!’, zijn vinger priemde door het raam van de doorzonwoning waar in de tuin een kleine vuurkorf zichtbaar was. Toen buurman zei dat zo’n pallet daar niet in paste ontving hij later op de avond een zak vol keurig gezaagde brokken hout. Het vuur op het straatfeest brandde nog nooit zo fantastisch.

augustus

Vandaag fietste ik sinds tijden weer langs een braakliggend terrein bij mij in de buurt. Flats stonden hier in betere tijden, portieketageflats en ook de zogenoemde, piepkleine bejaardenwoningen. Ze waren niet meer van deze tijd, aan renovatie toe. Zover kwam het echter niet, onherroepelijk gingen ze tegen de vlakte, puinhopen van zand achterlatend. Inmiddels zijn langs de rand van het terrein nieuwe flats herrezen. De gapende leegte erachter is de afgelopen jaren veranderd. De afgegraven grond vormt een heuvelachtig landschap waar onkruid goed gedijd. Toch oogt het beter dan de grijsgrauwe zandvlakte van voorheen. Toen ik er vandaag weer eens langs fietste bleek een goede fee langs geweest te zijn. Het hele terrein is versierd met vrolijk wuivende zonnebloemen. Klein en laag, op dunne stelen, niet te vergelijken met de dichtbegroeide okergele velden die ik me herinner uit Zuid-Frankrijk. Toch bood het een sprookjesachtige aanblik, om blij van te worden.

 augustus

Terwijl ik door het plantsoen loop zie ik een bejaarde vrouw zitten op een bankje. Iets in haar houding doet me denken aan mijn oma, de moeder van mijn moeder. Vijftien jaar geleden overleed ze. Acht en tachtig was ze toen. Mijn oma was klein en rond, met immer grijs-paars gewatergolfd haar. Mijn oma was het type vrouw dat gecast zou kunnen worden door het toen populaire televisieprogramma Coronation Street. Nooit om woorden verlegen, op de hoogte van alle nieuwtjes in de buurt, altijd bereid tot hulp of een praatje met een straatgenoot. Onder haar kin bevond zich een enorme bobbel die veroorzaakt werd door een schildkliervergroting. Ze had er geen last van en die krop zat er zolang ik haar kende. Ik werd er wel eens besmuikt naar gevraagd door vriendinnetjes die haar voor het eerst zagen, zelf zag ik het al niet meer.
Iedere zondag na kerktijd gingen we koffie drinken bij mij opa en oma in de Adriaan van Ostadestraat. Na de koffie met wat lekkers kwam het echte werk. Jonge jenever en glaasjes bessen of advocaat voor de groten en priklimonade voor de vele kleinkinderen. Dan kwamen de tupperwarebakjes op tafel. Daarin zaten blokjes jonge kaas, plakjes leverworst, metworst of bloedworst. Die zondagse visites duurden uren, maar ik herinner me niet dat ik ze ooit saai of vervelend vond. Het gesprek viel nooit dood, de laatste nieuwtjes werden levendig verteld, er waren felle discussie afgewisseld met mild geplaag en bulderende gelach.
Na mijn afstuderen woonde ik twee straten van mijn oma en opa vandaan. In die periode zag ik haar vaker. Zo deed ik regelmatig boodschappen of bracht ik restjes van mijn warme maaltijd zodat ze de volgende dag niet hoefde te koken. Ze was vooral dol op macaroni. Mijn oma had een bijzondere wijze van vragen om een gunst. Haar gezicht vertrok zich dan in een pijnlijk getroffen stand, ze keek strak voor zich uit en slaakte een diepe zucht. Vervolgens zei ze: ‘Ach, ik heb helemaal geen koekjes meer. Hoe moet dat nou. ’ Dan wist ik wat mij te doen stond.


Ik loop door mijn eigen straat bij het vallen van de avond. Luchtig gekleed, ofschoon de avondkou al merkbaar is. Ook is ergens in de lucht de aankomende weersomslag voelbaar, als een mistralbriesje tussen de behaaglijk warme windvlagen. Toch is het nog zacht genoeg om te lopen op flipflops, mijn zomerse variant van de pantoffel. In de verte komen twee mensen mij tegemoet. Een jongen en een meisje. De wind draagt hun stemmen van ver. De woorden versta ik niet. De toon is opgetogen, vastberaden en opgewonden. Ze dragen allebei een T-shirt met een tomaat erop en over hun schouders hangen brede tassen met eveneens grote rode vlekken. Behoedzaam dragen ze een groot opgevouwen plat ding tussen hen in. Is het karton? Of eerder van stof? Ook hier zijn halfronde rode vormen te zien van wat vermoedelijk een tomaat voorstelt. Hun tred is kwiek en heeft iets gejaagds. iets gedrevens. Alsof ze op weg zijn de wereld te veranderen en zich door niets de weg laten versperren. Vrolijk babbelen ze verder terwijl ik hen passeer. De jongen kijkt mij aan en lacht. Zijn blik lijkt trots uit te stralen: kijk ons eens, de wereld wordt beter en wij zijn daar bij.
De bevroedde maar nog te verwerven overwinningsroes schept verplichtingen. Hij draait zijn hoofd naar zijn partner in politiek terwijl hij naar het opgevouwen pak kijkt tussen hen in.
‘We moeten dit goed opbergen hoor, anders stelen ze het nog.’

 

juli
America: land of the free and home of the brave. Die vrijheid wordt uitgedrukt in grootte. Alles is hier groot. De huizen, de auto’s, de koffiemokken en de porties in restaurants. Zelfs het spraakgebruik is groot. Amerikanen doorspekken hun zinnen doorgaans met superlatieven. Ze vinden iets nooit gewoon ‘wel leuk , maar altijd awesome, de overtreffende trap van leuk.
De dapperheid van home of the brave uit zich in een immens respect voor de helden van het land. 
Een van die helden was Sally Ride, de eerste Amerikaanse vrouw in de ruimte en een groot rolmodel voor vrouwen in de wetenschap. Ze overleed deze week aan kanker, op 61-jarige leeftijd. De kranten schenken veel aandacht aan haar dood. Dan blijkt ineensuit haar rouwadvertentie dat ze een rouwende vrouwelijke partner achterlaat, waarmee ze bijna dertig jaar samenwoonde. Dat feit komt als een schok voor puriteins Amerika: hun heldin blijkt lesbisch. Meteen volgt een persbericht namens de familie. Sally Ride’s postume coming-out had haar zegen. Haar zus benadrukt hoe Sally’s vriendin als een familielid is opgenomen in de familie. En zoals dat gaat in de VS, haar verscheiden wordt meteen politiek gemaakt. Naast een ruimtevaartheldin en rolmodel voor jonge meiden is ze nu ook de heldin van de leverkankervereniging en de homobeweging.

 juli
Mijn droomhuis is een huis op palen aan zee. Zo een uit een film, met een grote trap vanaf het strand die leidt naar een brede veranda waarvandaan je uitkijkt over de bruisende golven. Omdat de kans op zo’n huis een emigratie met zich brengt, leg ik me neer bij een huis op een rustig plek met een grotere woonkamer. In de huidige woningmarkt zal dat er niet snel van komen en daarom is het geweldig dat ik nu aan den lijve kan ondervinden hoe het is, zo’n groot huis. Helaas is het geen huis op palen aan zee, maar een vrijstaande woning in een klein stadje in Californie. Een gigantisch grote woning, dat dan weer wel. En wat blijkt: eigenlijk heeft het veel nadelen, zo’n grote woning. Niets is op roepafstand, je bent elkaar dus voortdurend kwijt. Verdwalen is ook een erg aannemelijke optie. Zo eindig ik steevast in een kast als ik op zoek ben naar Wouters tijdelijke slaapkamer. Ook moet ik voortdurend nadenken waar ik ook al weer mijn leesbril heb liggen, of mijn schoenen. Enfin, je wordt er erg gestructureerd van. Er blijft niets anders over dan vaste plekken te bepalen voor alle onmisbare attributen. Het maakt ons dankbaar voor het kleine gezellige huis waar we straks weer naar terug mogen keren. Tot die tijd passen we ons aan en genieten we ons suf. Ach, al die ruimte went wel.

23 juli 2012

Ik ben geen mens voor woningruil;
ik laat te slecht de boel de boel
ik wil te veel te goed te vaak
te schoon, te mooi, perfect, te raak

nou alle pluizen in ons huis voor nu vernietigd zijn,
is eindelijk maar toch
de beursvloer in mijn hoofd
besloten met een gong

het huis ontpluisd, gekuisd
van smet en al te veel de wij van wij
woorden die ineens weer stromen
in ongecontroleerde tijd:

is dat wat ze vakantie noemen?

 

Creatief met regen, positief met nat

*Wat nu valt, valt morgen niet.
*Het is wel goed voor de tuin hoor, en voor de boeren en zo.
* Kind, ik kom nu eindelijk toe aan het uitsoppen van mijn kasten.
* Valt er met naakslakken iets smakelijks te koken?
* En dan lekker met een goed boek en een dekentje op de bank.
* Nee, gezellig juist, dat getik op het tentzeil.
* Niet bang hoeven zijn voor een verbrande neus.
* Geld besparen door niet naar de autowasstraat te hoeven.


Ongelofelijk hoeveel voldoening uitgesopte keukenlades geeft. Overigens niet te verwarren met de voldoening die je hebt tijdens het uitsoppen. Daar kan ik kort over zijn. Die is er niet. Nee, het gaat mij veel meer om het gevoel achteraf. Zeg maar datzelfde gevoel dat je hebt nadat je een uur gefitnesst hebt, spruitjes gegeten of een wortelkanaalbehandeling hebt ondergaan. Het is niet leuk, maar je weet dat het goed voor je is, dus je legt je er bij neer. En achteraf sta je dan moe en zweterig het resultaat te bewonderen. Nou weet ik niet hoe het u vergaat, maar na het poetsen heb ik grote behoefte aan bewondering. Je wilt toch eer van je rotklus. Dus iedere toevallige bezoeker is de klos. Die dwing ik zonder mededogen mijn blinkende la te bewonderen. ‘Nou, wat vind je ervan? Handig niet, die aluminiumfolie naast het bakpapier en de keukenrol? Je kunt het nu zomaar in een keer grijpen. Graaien en net zo lang roeren totdat je de folie hebt gevonden is niet meer nodig.’
Bevestiging is een zwaar onderschat antidepressivum. Het is alleen jammer dat ik zo huisvrouwachtig-neurotisch word van schoonmaken. ‘Niet morsen met die kattenbrokjes! Die keukenrol moet evenwijdig aan de deegroller liggen. Nee natuurlijk niet verticaal! ‘ Het wordt tijd dat de Amerikanen komen en ik me kan gaan vergapen aan hun keukenlades.


Wat kijk je anders naar je eigen huis wanneer je weet dat daar binnenkort anderen zullen wonen. Voor slechts drie weken weliswaar, maar toch. Zullen zij net zo achteloos omgaan met de door de tand des tijds ontstane schoonheidsfoutjes als wij dat doen, gedreven door gemakzucht en twee paar linker handen? Zijn zij wel in staat om net zo creatief als wij oplossingen aan te dragen voor de huishoudelijke problemen? Zoals daar zijn: het voor het slapen gaan stoppen van een sok tussen de klapperende slaapkamerdeur, de soms openspringende vaatwasser met de billen dichtdrukken en zo een paar seconden blijven staan totdat het wasprogramma weer draait, de deur van de oude grenen kast iets optillen zodat hij gesloten kan worden.
Leg dat maar eens uit in het Engels. Ik begin er maar niet aan, ben veel te druk met opruimen van stapels papieren uit de kastplank van geen idee waar ik dit moet opruimen dus leg ik het zolang maar hier neer. En met het schoonmaken van lades en kastjes waarvan je doorgaans niet door hebt dat ze vuil zijn omdat er spullen op liggen. Enfin, mijn enige troost is dat onze Amerikaanse ruilfamilie waarschijnlijk dezelfde problemen heeft.

 

Recept voor een (ont)spannende zondagochtend

Word na een nachtmerrie wakker midden in de nacht, stap uit bed en bekijk je mail.

Ontdek dat er na drie dagen nog steeds geen geruststellend antwoord is vanuit de andere kant van de wereld op jouw lastminute-afspraken mail rond woningruil die al een jaar vastligt. Terwijl je over twee weken vertrekt.

Probeer weer te slapen, word laat wakker en ontdek opnieuw een lege inbox.

Ontdek wel dat er op je telefoon een om drie uur ’s nachts verstuurde foto is aangekomen van je partner, waarop zes paar handen met een groen likeurtje in een jacuzzi.

Trek na het ontbijt zonder te douchen je oude kleren aan en ga je onrust wegwandelen in het plantsoen.

Laat je niet mee willen wandelende onwillige wurm thuis in zijn vet gaar smoren. (vuur niet te hoog) Laat hem beloven de deur voor je te openen omdat je sportkleding geen zakken bevat voor een sleutel.

Loop snel en flitsend om de naderende onweersbuien voor te zijn. Geniet van de drukkende warmte die al het angstzweet uit je poriën drijft.

Loop langs het lekkere kraantje naast het basketbalveld en geniet van zo’n kick voor niks.

Kom bezweet en voldaan na geleverde inspanning weer bij je voordeur aan.

Druk twee minuten met tussenpozen op de bel om te ontdekken dat je zoon de bel niet hoort omdat zijn oren zitten vastgekleefd aan zijn koptelefoon op de zolderkamer.

Wees blij en dankbaar dat de buurvrouw met sleutel thuis blijkt en je in je eigen huis binnen laat.

Blaas met haar uit in je eigen tuin en deel je zorgen. Bedank haar voor haar relativerende woorden dat het toch eigenlijk wel een luxeprobleem is en dat er ergere dingen op de wereld zijn.

Spoel onder de douche al je muizenissen weg en haal je zoon over tot een hem meer passende zondagmiddagactiviteit.

Recept voor een ontspannende zondagavond

Ontvang via mail een haastige geruststelling vanuit de VS.


Je merkt pas wat je mist als je het ook daadwerkelijk mist. En tjonge jonge, wat werd er hier thuis gemist. Een briesende partner met stoom uit de oren, die op de thuiswerkdag (eindelijk iets kunnen afmaken zonder gestoord te worden) toch maar naar de baas vertrok. Een mopperend kind dat bij het opstaan en net uit school meteen vraagt: ‘Doet ie het al weer?’ En mijzelf liet het ook niet geheel onberoerd: 48 uur zonder internet. Dan pas merk je hoe verslavend gewoon een computer geworden is. Niet even kijken of je voor een bui over zult komen, geen radiofragmenten tijdens het koken, niet even snel iets nazoeken wat je echt nu! meteen! stante pede! moet weten en het ergste: niet kunnen e-mailen. Dan pas merk je ook hoe even een berichtje tikken in de plaats is gekomen van even bellen. Bellen doe je tegenwoordig niet zomaar; iedereen is druk, druk, druk niet waar?
Een mail legt ook beslag op iemands tijd, maar is minder dwingend. Je hoeft er niet meteen wat mee, je kan er even over sudderen en eventueel al dan niet per ongeluk vergeten terug te mailen.
Je zou denken dat het een rustig idee is, even geen internet. Helaas is dat niet het geval. De rust gaat op aan het voortdurend checken of nu eindelijk, echt waar, deze keer wel de levenslijn met de wereld hersteld is. Niet echt een fijne constatering.

 


Gelaten hoor ik het relaas aan, troggen meedrijvende emoties trotserend voor zover dat gaat. Het is een verhaal over een heel boos persoon, vastgeketend in kluwens onwrikbaar vastzittende haat. Als een vuurspuwer ventileert ze haar rancune, alles vertrappend en verslindend wat op haar pad komt. Waaronder de vertelster aan de telefoon. Die ontredderd probeert redelijk te blijven en te snappen wat er gebeurt. Wat niet zal werken, want echte haat kent geen redelijkheid of nuance.
Er rest slechts meelij met de hater en hoop op dovende vuren.

 


Na een doorwaakte nacht vanwege zwoele-avonden-adorerende buren vroeg ik het me weer eens af: ben ik niet meer een plattelandstype? Vind ik wellicht in de provincie de rust en ruimte waar ik bijtijds zo naar verlang, met name op die momenten dat de stadshectiek overrompelende vormen aanneemt?
Bij toeval kon ik proeven aan dat buitenluchtverlangen door het brengen van een bliksembezoekje aan het randje van de provincie, op de grens van land en wad. De autorit er naar toe was een droom. Zonovergoten velden in bloei, vogels daarboven en uitgestrekt landschap met hier en daar een plukje steen. Ook de uiteindelijke bestemming was een droomplek. Niet mijn droomplek, althans niet zonder bijgeleverd personeel voor het broodnodige binnen- en buitenonderhoud. En met die rust viel het ook nogal tegen. Landbouwvoertuigen, geblaat van schapen, geruis van bomen. Al vallen die laatste twee geluiden wel te verkiezen boven gepraat en harde muziek. Enfin, voorlopig verkies ik toch maar het stadsleven met postzegeltuin.

 

Naaktslakhaatrijm

Als zoutzuur glibber je glinsterend voort,

jij sluipmoordenaar in de mist.

Als Sherlock Holmes volg ik jouw verderfelijk spoor;

scheldend en speurend langs beschadigd groen.

Een onaantrekkelijk slijmerig wangedrocht als jij

vindt vast nooit iemand voor een tongzoen.

Vandaag zie ik overal dezelfde zin: puntjes op de i zetten. Dat zet je op de ene of andere manier toch aan het denken. Zou het toeval zijn? Dat zou natuurlijk gewoon kunnen. Of heeft het er misschien mee te maken dat ik net allerhande zaken eindelijk heb afgerond? Als een soort bevestiging van mijn huidige situatie? Dat verschijnsel is niet onbekend. Vraag maar eens aan zwangere vrouwen. Ineens lijkt het of iedereen om hun heen ook rond loopt met een kogelronde buik. Maar het gegeven geldt natuurlijk net zo erg voor kalende mannen, mensen met een koortslip, of een ontsierende rode pukkel midden op hun neus. Waar het hart vol van is, maken de ogen overuren.
Of zou het een teken zijn? Bestaan er meer af te maken taken waar ik de laatste hand aan moet leggen? Wie het weet mag het zeggen.
Geheel ter zijde, voor zover ik kan nagaan zet ik altijd al de puntjes op mijn i’s. Als een automatisme, zo heb ik dat nu eenmaal geleerd, vroeger op school. Mijn handschrift mag dan abominabel zijn, mijn i’s zijn altijd goed gevuld. Ineens herinner ik me een klasgenootje die de i’s in haar naam steevast voorzag van een bloemetje in plaats van een punt. Waarschijnlijk hult zij zich tegenwoordig in King Louis bloemetjesjurken, vanzelfsprekend gecompleteerd door een Kitsch Kitchen tas en roze gebloemde opoefiets met rieten mand voorop. Ze was haar tijd ver vooruit en ik moest vandaag even aan haar denken vanwege de puntjes op de i.

 


Ik zit in mijn huis terwijl het klinkt alsof ik in een tent zit. Kabaal rondom. Regendruppels tikken als hagelstenen tegen sponningen en striemen langs ramen. Windvlagen buigen bamboebossen heen en weer als op hol geslagen botsautootjes op de kermis. De bomen langs het spoor ruisen ongekend luid. De lucht is grijs als een monnikspij. Zwaluwen zwenken wanhopig van links naar rechts alsof ze niet weten waar beschutting te zoeken. De straten zijn leeg en ogen somber. Of zou het mijn humeur zijn op deze junidag?

Sinds kort heb ik een nieuwe, nogal verslavende hobby. Het neemt dusdanige vormen aan dat ik me een beetje ongerust begin te maken. Bij een zich ontwikkelende alcoholverslaving kun je dan zo’n fijne test doen via internet, om te zien of je inderdaad hard op weg bent richting afgrond. Ik vrees echter dat deze verslaving nog niet onderkend is, laat staan dat de afkick ervan vergoed wordt door een ziektekostenverzekeraar. Het begon allemaal uit luiheid. In mijn tuin staan drie grote bakken met bamboe. Na een huiveringwekkende winter en dito snoei, ontspruiten nu weer nieuwe stammen en blaadjes. Helaas gaat dat gepaard met afstotingsprocessen van oude blaadjes. Die worden geel, laten los en liggen dan overal verspreid lelijk te liggen in mijn tuin. En dan moeten ze uiteindelijk geveegd. Aan vegen heb ik een broertje dood, et voilà: het ontstaan van mijn nieuwe hobby.
Ik voorkom simpelweg het valproces door ze voortijdig uit de bamboeboom te plukken. In het begin alleen vanuit stahoogte, maar tegenwoordig gebruik ik ook wel eens een trapje. Of ik buig zo’n elastisch lijkende bamboescheut gewoon voorover en pluk uit de top. Het nadeel is dat ik nu niet meer in mijn tuin kan komen zonder te speuren naar zo’n gele boosdoener. Mijn verslaving is nu ook gespot door mensen uit mijn omgeving die me voor gek verklaren. Mij deert dat niet. Bovendien vormt het plukken een totale Zen-beleving en daardoor een zeer rustgevende ervaring. Probeer het eens.

 

Op een bankje bij de sluis

Ritselwind in bomenrand ruist
rustgevend tot de bel balkt
sluis open u

langszij stuivende
testosteronboot loost lawaai en
V-vormig bruis

schip vast schroef uit


Alsof de hoge bazen van de gezamenlijke drogisterijketens ergens in een grote vergaderzaal in het midden van het land vergaderden en vervolgens een duidelijke afspraak maakten: vanaf nu gaan wij service verlenen. In willekeurig welke winkel ik ook kom tegenwoordig, overal krijg ik dezelfde vraag voorgeschoteld. ‘Heeft u alles goed kunnen vinden?’
Nee mevrouw, als ik alles niet goed had kunnen vinden was ik nog steeds bezig met met zoeken naar dat alles. Dan had ik waarschijnlijk een van uw collega’s wel om hulp gevraagd. Ja, daar heeft u een punt. De kans dat dat gelukt zou zijn is inderdaad miniem, omdat uw collega’s praktisch nooit op de winkel werkvloer te vinden zijn. En als ze al te vinden zijn, doorgaans weinig behulpzaam vanwege dringender zaken als vakkenvullen.
Maar daar vraagt u niet naar. U vraagt wel of ik nog vragen heb over de uitgezochte producten. Die heb ik doorgaans nooit. En die ene keer dat ik wel een vraag had, was het duidelijk dat u het antwoord niets wist. Wellicht is het daarom een idee om die vraag gewoon niet meer stellen?
Dat is beter, voor u en voor mij. Toch brengt het mij wel in de verleiding. Misschien schaf ik de volgende keer voor de lol aambeienzalf aan, of een van de producten uit uw zo fraai eufemistisch verwoorde intimiteitassortiment.


De bel gaat. Als ik open doe staan er drie meisjes van een jaar of zeven als strandlopertjes te wiebelen op dunne beentjes. ‘Dag mevrouw’, zegt een van hen ‘mogen wij u drie vragen stellen?’ ‘Eigenlijk vier’, voegt de brutaalst uit de ogen kijkende en duidelijke leider van de roedel er verwachtingsvol aan toe.
Na mijn berustende toestemming beginnen de vragen. Wat mijn naam is. Wat mijn lievelingskleur is. Wat mijn hobby is. Tevreden noteren ze de antwoorden op een papiertje. Ze giechelen als ik vraag of ik door ben naar de volgende ronde. Dat weten ze nog niet.
Wat zou het mooi zijn, bedenk ik me terwijl ik de deur weer dicht doe, wanneer ieder mens altijd op deze manier beoordeeld wordt. Dat niet wat je vader doet, in welke auto je rijdt, hoe groot je huis en salaris zijn en of je gestudeerd hebt er toe doen. Dat je naam of lievelingskleur voldoende is om te mogen zijn wie je bent. O ja, de vierde vraag nog, voor ik het vergeet. Of ik wist hoe laat het was.


Zolang een mens niet zelfvoorzienend leeft in een hutje op de hei ontkomt hij niet aan het doen van de noodzakelijke dagelijkse boodschappen. Ligt het aan mij, of lijkt het er inderdaad op dat muziek in winkels tegenwoordig altijd op het hoogste volume staat? Ik ga voor de laatste optie en weet ook al waarom. Mijn analyse is als volgt. Veel winkelpersoneel is jong, want goedkoop in salariskosten. Jonge mensen luisteren veel naar muziek en gaan regelmatig op stap naar luide muziek producerende discotheken en dancefeesten. Daar lopen ze disco-oren op. Dat klinkt gezellig, maar is het niet, want het betekent dat ze een ernstige gehoorbeschadiging hebben. Die er weer voor zorgt dat ik zo snel mogelijk de winkels waar zij werken ontvlucht zodra ik heb waar ik voor kwam.
Zoals in de woestijn de nomade smachtend de oase bereikt, stiefel ik in stevige pas de openbare bibliotheek binnen. Op de bovenste verdieping nestel ik mij in een rechte stoel aan een van de groene tafeltjes die in slagorde staan opgesteld langs de getraliede ramen waar doorheen zonlicht gefilterd wordt. Het is stil. Slechts het zoemende geluid van een kopieerapparaat en af en toe de pling van de inworp van een muntstuk en een enkele voetstap.

Fata Morgana in een stadslandschap.


Het scheelde niet veel of ik liet vandaag een paar gewichten op mijn tenen vallen. Dat was op het moment dat de trainster van mijn fysio-gymclubje achteloos opmerkte: ‘Wat heb jij toch ongelofelijk flexibele armen. Buig ze maar niet zo ver door.’
Nou bestaan er heus wel woorden en zinnen die naadloos aansluiten bij mijn fysiek gestel. Houterig, om maar eens te beginnen of gespeend van enig balgevoel. En wat te denken van: slechte oog/handcoördinatie, zonder enige noemenswaardige conditie, ongespierd of eenvoudig totaal onsportief. Ik ga maar gewoon met de billen bloot. Ja, ik was zo’n sneue leerling die altijd het laatst gekozen werd bij de gymles. En nee, ik heb daar nooit iets aan over gehouden, dank u wel. Sport wordt tenslotte altijd vreselijk overschat, vraag dat maar eens aan de ziektekostenverzekeringsmaatschappijen, na afloop van het skiseizoen. Het is alleen te danken aan de steeds strammer wordende spieren, dat ik zo gek ben om te gaan sporten. Wellicht kan ik er beter mee stoppen, nu ik zo flexibel blijk?


Vandaag merkte ik weer eens hoe heerlijk het kan zijn om klusjes weg te werken. Wellicht was ik dat vergeten omdat ik uit gebrek aan energie en tijd de boel wat teveel de boel had gelaten. Het gevolg was een wasophoping in de nok van mijn huis, waar vieze en schone was gezellig samen wachtten op betere tijden. De nok van het huis, ineens ook verzamelpunt van alle uitgestelde opruim- en uitzoekklussen. Die nooit uitgepakte rugzak van het schoolreisje, de steeds viezer ruikende voetbaltas, de zak met onlangs verzamelde en tijdelijk afgedankte winterkleren, de uitpuilende en al gedeeltelijk geplunderde zak met zomerkleren.
Eindelijk kwam ik er vandaag aan toe, in zo’n aangenaam tempo dat het leek of ik bezig was met de aanleg van een Zen-tuin, bijna meditatief. Daar kan geen dure Mindfulness-cursus tegenop. En het mooiste van alles: de nok van mijn hoofd voelt nu ook opgeruimd.


Het bijhouden van een blog doet blijkbaar iets met mensen in mijn omgeving. Zo spendeerde ik onlangs met niet nader te noemen personen een genoeglijke middag in mijn tuin. We aten, we dronken, we babbelden onschuldig over ditjes en datjes en lachten terwijl we loom in onze stoelen hingen en wuivend de barbequerook weerden. Ineens sprak een van hen zich uit: ’Pas maar op wat je zegt, voor je het weet maakt ze er een blog van.’ Wat een geweldig idee, dacht ik en vertrok meteen na het uitzwaaien van de meute naar mijn computer.


Alhoewel reclamemakers hun stinkende best doen om ons anders te doen geloven, is onze geluksbeleving na een nieuwe aankoop slechts van korte duur. Ik moest hier aan denken nadat ik vandaag na eindeloos schrijven, schrappen en schaven een lang op mijn schouders drukkende taak tot een einde bracht. Of het een goed einde was weet ik niet, mijn beoordelingsvermogen had allang het bijltje erbij neergegooid terwijl ik nog driftig zat te ploeteren. Toen de taak af was en verzonden was daar even die piek. Een intens gevoel van tevredenheid zoals je dat kunt hebben na de aanschaf van iets nieuws. Een geluksbeleving van korte duur. Daarna kwam de vertwijfeling. Was het goed genoeg? Plus de berusting; er is niets meer aan te doen. En net zo makkelijk meteen daarna de gedachte aan de volgende taak op het lijstje.

 


Nooit lijken alledaagse huishoudelijke klussen dringender te klagen dat ze nu toch eindelijk eens gedaan moeten worden, dan op die momenten dat er werk verzet moet worden waar tegenop wordt gezien. Dan lijkt ineens die wasmand ongelooflijk vol en die kamerplant wel heel erg droog. En waarom is die zwarte veeg op de kamerdeur nu ineens zo extra zichtbaar, laat staan die korrels hagelslag onder de eettafel? Volgens mij is dit een principe dat zeer de moeite waard is om grondig onderzocht te worden door een gepassioneerd wetenschapper.


Een paar jaar geleden woonde ik tijdelijk in een sjieke buurt in Californië en meldde ik me aan bij het digitale buurtnetwerk. Toen ik vertrok meldde ik me niet af en daarom ontvang ik nog steeds die intrigerende e-mailtjes. Wanneer de jaarlijkse pompoen snijd-wedstrijd is bijvoorbeeld, of wie deze week al zijn overbodig geworden spullen te koop zet in de voortuin. Al hoeven de bewoners het voor het geld niet te doen. Bijna alle vervelende klussen worden afgekocht. Dus arriveren dagelijkse hulptroepen in de vorm van schoonmaaksters, tuinmannen, klusjesmannen, zwembadcontroleurs en voedselbezorgdiensten.
Een van mijn vroegere wijkgenoten (I am a stay at home mom of three young kids) is sinds vanochtend op zoek naar een nanny. Tegen kost en inwoning wordt minimaal twintig uur werk per week verlangd. De nanny moet pedagogiek studeren, mag geen bezoek aan huis ontvangen of vrienden ontmoeten waar de kinderen bij zijn, niet roken en drinken en onder alle omstandigheden een rolmodel voor de drie kinderen zijn. Verder is ze energiek, intelligent, aardig, creatief en netjes. De taakomschrijving is te lang om hier te reproduceren, maar ik kan volstaan met een adequate samenvatting: alle voorkomende taken bij het opvoeden van een kind.
Zou de moeder op zichzelf gaan wonen?


Wat ziet de wereld er anders uit wanneer je het beziet vanuit een ander perspectief. Om redenen die hier niet ter zake doen maar wel noodzakelijk waren, fietste ik voor de verandering op de fiets van mijn tienjarige zoon. Veel zaken werden ineens duidelijk: dat ik zwaarder ben dan hij en hij een stuk kleiner is dan ik. Dat zijn achterband nodig moet worden opgepompt en zijn handremmen gerepareerd. Dat het beter ware indien ik het fietsen op zijn fiets voortaan zou mijden. Dat wanneer je lager op de weg rijdt, de kans bestaat dat je een fietser van rechts minder snel signaleert, helemaal als die fietser minder scherp stuurt omdat een groot mens op een klein voertuig blijkbaar bezienswaardig is. Wat leert een mens veel als hij buiten de lijntjes kleurt.


De regen heeft het plantsoen goed gedaan. Vol overtuiging toont het groen zich schaamteloos en weelderig aan de wandelaar. Vogels kwetteren dat het een lust is. Waarschijnlijk babbelend over het opklarende weer en de gele donseendjes in de vijver. De fonteinen in het hart van het park spuiten onvermoeibaar hun waterstralen de lucht in. De stralen vormen een grote V-vormige ijscoupe en veranderen het wateroppervlak in een bloem zonder steel. Langs de vijver flaneert een vrouw in fleurige kleding die uitdraagt dat in het leven het spirituele belangrijker is dan het materiële. Haar handen lijken haar ogen te volgen. Ze bestudeert de stralen van de fontein en haar handen bewegen mee. Wanneer ze verder wandelt slingeren ze losjes heen en weer langs haar lijf. De rechterarm zwaait hoger dan de linker. Aan het einde van de vijver passeert ze een kat. Nieuwsgierig snuffelt hij aan haar rustig uitgestoken hand en volgt haar als ze verder loopt en verdwijnt achter de bomen.


Vervelende klusjes zijn zo veel leuker als je daarbij wordt afgeleid. Zo spaar ik een deel van de was op tot mijn favoriete politieke programma op zaterdagochtend. Met wasmand en de iPad als een barbapapa in radio omgevormd in de aanslag trok ik naar zolder. Totdat ik tot mijn verbijstering ontdekte dat mijn programma was omgetoverd in een urenlange sportuitzending. De wasachterstand loopt vanaf nu steeds verder op ben ik bang. Gisteravond miste ik ook al het journaal vanwege wat ze noemen de sportzomer. Hoe overleven sporthaters dit fenomeen vraag ik me af? En dan heb ik het nog niet eens over de oranjegekte van de naderende EK. Je kunt geen pak melk meer kopen of je wordt doodgeknuffeld met een knaloranje fluppie, blubbie of guppie die in het ergste geval ook nog alarmerend aan het zingen slaat. Woonde ik alleen, ik wist het wel. Helaas zijn mijn huisgenoten verstokte voetbalfans, dus bij de naderende wedstrijd van vandaag ben ik geweldig de klos. Onder het motto: If you can’t beat them, join them, kocht ik dus zuchtend oranjetompoezen, stiftte mijn lippen in de clubkleuren en trok een oranje hemd aan. Hup, Holland,Hup.

 

‘Het kan verkeren,’ zei Bredero ooit al eens.
Zo breng je dagelijks je kind naar school, zo doe je dat ineens niet meer. Omdat ie het heus zelf wel kan, zelfs wel op de fiets, al ben jij daar als ouder nog niet aan toe. Dus zwaai je hem dagelijks uit bij de voordeur en streep je weemoedig zuchtend weer wat weg van het lijstje met zorgtaken.
Maar één dag per jaar is je aanwezigheid wel gewenst, verplicht zelfs op straffe van een slechte-moederstatus. Dat is de dag van het jaarlijkse schoolreisje. De dag die verlangt dat je als uitzwaaiouder om half negen paraat staat waarna je oogappel drie kwartier later zonder op of om te kijken uiteindelijk aftaait richting Het Beloofde Land. De dag waarop de schoolbus die om vier uur terug zou zijn een uur later de straat van school in draait met binnenin –o schrik – alleen de zichtbare gestalten van de juffen en buschauffeur. Totdat giechelende hoofdjes een voor een opduiken en met adrenaline opgepompte kinderlijven de bus uit buitelen. Totdat ook die dag niet meer komt.


De jongen achter de kassa bij Albert Heijn ziet er behalve heel jong ook wat verhit uit. De schade bedraagt € 13, 40. Ik geef hem een briefje van vijftig euro en denk weemoedig terug aan het mooie zonnebloempapiergeld van ooit. Dan hoor ik zijn stem: ‘hoeveel moet u terug mevrouw?’
Ik snap niet helemaal wat hij van me wil. ‘Wat bedoel je?’ ‘Hoeveel geld moet ik u terug geven?’ Zijn wangen lijken nu op SP -verkiezingsposters. Op het beeldscherm van de kassa zie ik wat er mis is. Het scherm geeft het wisselgeld niet aan. Nu ben ik beslist geen rekenwonder ( de enige 1 die ik ooit scoorde in mijn schoolcarrière betrof een onaangekondigd wiskundeproefwerk) maar door een bijbaantje in een handenarbeidwinkel spijkerde ik aardig bij. Qua wisselgeld dan.
Ik schraap mijn keel: ‘Je geeft me 1 euro 60, dat maakt 15. En dan is het verder papiergeld.’ Hij overhandigt 1 euro 60 en kijkt me afwachtend aan. Ik help opnieuw een handje ‘dan 10 euro erbij, dat maakt 25.’ (Misschien had ik niet steeds moeten stoppen bedacht ik me later, maar ik vond het op de ene of andere manier zo betuttelend en kon me niet voorstellen dat hij hierna niet zelf verder zou kunnen.) En hij kon verder! Gaf me bij 25 zo maar 20 euro erbij. Toen was ik even in tweestrijd. Tenslotte zat hij aardig in de goede richting. De socio in mij, ik weet het. Mijn innerlijke zakenvrouw nam het uiteindelijk toch over. Verontschuldigend voegde ik er aan toe: ‘ En dan nog 5 erbij maakt 50.’ Albert Heijn mag wel wat beter op z’n kleintjes letten.


Vandaag lag ik in de tandartsstoel voor de jaarlijkse controlebeurt. Zoals beloofd gaf ik mijn tandarts de onlangs in het ziekenhuis opgedane, geweldige tip van een televisie op het plafond. Met natuurlijk de bijbehorende koptelefoon, die in principe ieder tandartsbezoek tot een feest zou kunnen maken. In zijn sector toch een klantenbindertje zou ik zo zeggen, zeker nu tandartsen de marktwerking van de vrije tarieven hebben ontdekt. Hij reageerde nogal lauwtjes op mijn vondst vond ik en mompelde iets over patiënten die ter afleiding van de naderende pijn met walkmans op kwamen opdagen. ‘IPod heet dat,’ riep de tandartsassistente uit. ‘Nou ja, zo’n ding waar muziek uit komt’, verzuchtte mijn tandarts die qua bouwjaar in mijn buurt komt. Ik kon het dus goed met hem meevoelen.


Af en toe – in feite zo erg af en toe dat je beter kunt spreken van sporadisch – voltrekt zich een klein wonder. Dan lukt het namelijk om onze tienjarige medebewoner los te rukken van aan draadjes verbonden elektronische apparaten die veelvuldig flikkeren, bliepen en o zo verslavend blijken. Dan lijkt ineens de tijd even stil te staan, dan zou het kunnen zijn alsof je kijkt naar een jongetje uit pakweg 1950. Zo knutselde dat jongetje op een zonnige meivakantiedag een bootje in elkaar, een variant op (daar komt ie, bloglezers, het vervolg op de cliffhanger van gisteren) de welbekende klomp met het zeiltje. Een moderne variant, vervaardigd uit een rieten deksel, bamboestokjes van eigen kweek en twee milieuvervuilende lege petflesjes. Het zeiltje werd zorgvuldig geknipt uit een oud douchegordijn, dat ooit werd omgetoverd in een spook om een griezelfeest op te luisteren. Dit hergebruik compenseert vast en zeker voor de plastic flesjes.
En zo kon het gebeuren dat we die middag de stad uit fietsten waar de boot te water werd gelaten in een stroompje bevolkt met heuse boten. Het jaren vijftig gevoel en de illusie van even terug in de tijd was al spoedig verdwenen na zijn eerste uitroep: ‘Shit, hij drijft niet.’


Vaste prik wanneer zich een verjaardag voordoet van een wereldschokkende gebeurtenis: de vraag waar jij je op dat moment bevond en wat je aan het doen was. Waar was je tijdens die eerste maanlanding, de val van de Twin Towers of de dag dat Pim Fortuyn het leven liet? Deze vragen vrees ik niet, al kan ik de eerste niet beantwoorden. Wel vermijd ik graag de vraag naar mijn eerste langspeelplaat. Uit schaamte, pure schaamte. Al mag ik daar ter verdediging wel aan toevoegen dat ik hem niet zelf kocht. Mijn moeder bracht hem mee in mijn beleving. Ze ging heen met de opdracht een plaat van Rob de Nijs te kopen, en kwam thuis met iets uit een rommelbak dat Alle dertien goed heette. Hij was namelijk, niet geheel toevallig denk ik nu, heel goedkoop. En bevatte inderdaad een liedje (1!) van Rob de Nijs. En daarnaast nog twaalf andere Nederlandstalige tranentrekkers van het genre dat tegenwoordig alleen nog door de Tros ten gehore wordt gebracht. Toch draaide ik de plaat regelmatig bij gebrek aan andere. Een liedje staat me ook nu nog helder voor de geest. Een klomp met een zeiltje, van het kindzangeresje Wilma. Een vreselijk zoet liedje met een melodie die ook nu nog moeiteloos mijn keel uitkomt. Hij stond zelfs op U-tube ontdekte ik net, en ik luisterde het af met kippenvel op de armen, alwaar ik maar geen analyse op los laat…
Morgen meer over waarom ik moest denken aan dit pareltje van het Nederlandse lied.


Fietsend door een schaduwrijke straat bij mij in de buurt zie ik ineens de stenen langs de stoeprand bezaaid met rozerode snippers. Chinees Nieuwjaar, schiet het meteen door me heen. Omdat de restaurants in deze volkswijk ver te zoeken zijn blik ik snel opzij naar de ramen. Woont hier wellicht een plukje Nederchinezen? Geen rode lampion of gouden Boeddhabeeld te bekennen, alleen dichtgeschoven vitrage. Dan realiseer ik me opeens dat Chinees Nieuwjaar altijd in januari of februari plaats vindt, en natuurlijk niet in mei. Ik kijk omhoog, en krijg de rijen rozegebloesemde kastanjebomen in het oog, die als Sinterklaas hun snoepgoed strooien over de alledaagse straat.

juni
Je waardeert pas wat je kunt als je het een tijdje niet gekund hebt. Zo liep ik onlangs stijfgearmd met mijn moeder van mijn voordeur naar mijn achterdeur. En voor jij lezer nu honend begint te lachen; we liepen buitenom. Toch zeker wel een meter of honderd. Om daarna languit bij te komen (ik) op de bank van deze marathon. En te genieten van het feit dat er voor mij gekookt werd (mijn moeder) en dat ik iedere dag weer een beetje meer kon. Waar mijn hoofd nog niet werkte, namen mijn handen het over. Zodra ik wat energie voelde opborrelde was ik te vinden in mijn tuin waar ik dingen deed die normaal niet in mij zouden opkomen. Zo trok ik honderden dode blaadjes uit klimopmuren en treurende bamboebomen die ternauwernood de winterse vrieskou trotseerden. Snoeide ik blaadjes uit de klimhortensia en trok ik onkruid weg tussen de tegels. Mijn tuin was nog nooit zo mooi als nu.
Op het moment dat ik mezelf betrapte op het bouwen van een plantenplateautje van een ouderwets houten wasrekje en een nooit gebruikte krabplank van de kat wist ik: mijn creativiteit komt weer terug, mijn hoofd doet ook weer mee. Het schrijven kon weer beginnen.


De onvermijdelijke bezuinigingen zijn merkbaar, toch doen ze in het ziekenhuis wel hun best om het je als patiënt zo aangenaam mogelijk te maken. Ik noemde al de geweldige uitvinding van de morfinepomp. Met recht een vondst te noemen. Helaas mocht hij niet mee naar huis.
Er waren nog meer gadgets. Mijn op maat verstelbare bed bijvoorbeeld. Dat bed kon naar believen omhoog of omlaag getakeld, evenals het gedeelte waar mijn hoofdkussen zich bevond. Het bevatte zelfs een knop bij de knieën waarmee je in een ingewikkelde yogahouding in bed kon liggen, maar die ging mijzelf persoonlijk iets te ver. Zelfs mijn nachtkastje bleek verstelbaar en dat was maar goed ook, omdat ik om in beweging te blijven de verstelknop van mijn bed naar hartenlust bediende. Jammer genoeg was hij nog net niet zelfbestuurbaar, zodat ik mijzelf niet naar rustiger oorden kon rijden tijdens de eindeloos lange bezoekuren met ontelbare bezoekers van mijn overburen die oorverdovende woordenbrijen braakten waar maar geen eind aan kwam. Voor rust en herstel, alsmede privacy, zoveel is mij wel inmiddels wel duidelijk geworden, moet je vooral niet in een ziekenhuis zijn.
Dan was er ook nog een knop om de verpleging te bellen, die ik zo spaarzaam mogelijk gebruikte, want ze hadden het al zo druk. Soms ontkwam ik er niet aan, meestal wanneer er een alarm afging in de totempaal naast mijn bed. Dat alarm was zo alarmerend schel en zo ruim boven de toegestane decibelnorm voor geluidsoverlast, dat ik aannam dat verpleegsters daar wel spontaan op af renden. Dat bleek echter niet het geval, en dus was die grote rode knop wel handig.
Het laatste snufje betrof een televisie aan het plafond, die je voor een riant bedrag per dag afhuurt. Ik kreeg mijn kijk- en luistergeld er niet helemaal uit, maar toch was het leuk dat ie er was. Ik geef de tip in ieder geval door aan mijn tandarts.
Maar het allermooiste snufje bleek toch wel de op statiegeld werkende leenrolstoel die me naar de auto bracht waarmee ik naar huis gereden werd

mei
Pijn is een wonderlijk iets. Omdat mijn redelijk onschuldige ingreep helse pijnen na afloop veroorzaakt ging ik preventief naar het spreekuur van de anesthesist, die tegenwoordig overigens anesthesioloog blijkt te heten. Niet echt een weldadig bezoek in mijn nerveuze pre-operatieve gemoedstoestand. ‘Ik heb geen idee wat u hier komt doen. Waarom hebben ze u gestuurd? Van deze ingreep heb ik nog nooit gehoord.’ Gelukkig ging hij het even navragen, vond het nog steeds onzin dat ik er was, want dat had echt niet gehoeven, maar nu ik er toch was konden we de boel wel even doorspreken. Toen hoorde ik tot mijn grote opluchting dat het onzin was dat ik pijn zou moeten lijden ondanks mijn persoonlijke morfinepomp. (Mijn radioloog annex medi-nerd: ’Hoe pijnlijk het is? Wat zal ik zeggen, de eerste 24 uur na de ingreep vinden vrouwen mij niet aardig.’ Tot die conclusie kwam ik overigens al in de eerste minuut van onze kennismaking.)
Mijn anesthesioloog luisterde goed toen ik aangaf een lage pijndrempel te hebben en verhoogde de aanvangsdosis van de morfine. ‘Dat horen we nu nooit, meestal doen mensen stoer en zeggen ze dat ze wel tegen een pijntje kunnen, blijkt dat vervolgens erg tegen te vallen en moeten we bijspuiten.’
Natuurlijk kunnen de salarissen van specialisten wel iets omlaag, maar ik staak spontaan mee met de beroepsgroep van anesthesiologen als het zover komt en benoem ze in mijn testament. Ik beaam vervolgens onbekommerd en volmondig mijn watje-status en prijs me gelukkig met een redelijk mild herstel.


Douchen met een katheter in is een wonderlijke ervaring, alsof een deel van jezelf aan het zeepplateautje hangt. Niet je meest aantrekkelijke deel ook nog. Daarnaast erg onhandig allemaal.
Ik pleit daarom vurig voor een instructievideo op U-tube; hoe trek ik een onderbroek aan als ik zit vastgeketend aan een katheter. Na tien minuten vergeefs proberen schelde ik de verpleegster en leek het eigenlijk heel simpel. Toen moest de operatie nog beginnen. 
Wat ziet de wereld er anders uit als je op je rug gelegen wordt voortgeduwd door de eindeloze gangen van een ziekenhuis. De steelse blikken van hoog boven je gezichtsveld uittorende voorbijgangers. De met dierafbeeldingen beschilderde liftplafonds. De tochtstromen van openvliegende deuren. Ik wist ook nooit dat je in bed wagenziek kon worden. Of dat je het gevoel krijgt een ding te worden, een te vervoeren voorwerp, wanneer boven je hoofd je vervoerders met elkaar spreken alsof je er niet bij bent.
De ingreep op zich was tamelijk onschuldig, dus kon ik de volle drie uur volledig bij bewustzijn genieten van de twee medi-nerds boven me, die vol bewondering op vier schermen de adembenemende, Grand Canyonachtige landschappen van mijn binnenste bestudeerden. Wat zal ik zeggen, mijn behandelaars waren nou niet echt mensen-mensen, het enige humane contact bestond uit de onverwachte uitroepen: ‘nu de adem inhouden en niet bewegen!’ Dus lag ik stokstijf stil en bedacht innig dankbaar dat nerds doorgaans hun vak uitstekend verstaan.
Gelukkig waren daar ook hun twee vrouwelijke assistenten die op zijn tijd riepen dat ik nu toch echt wel weer mocht ademen. Zij waren duidelijk ingehuurd voor het medemenselijke contact, hielden af en toe bemoedigende praatjes en offreerden een slokje water door een rietje. En misschien nog wel hun belangrijkste taak: het aanreiken van mijn eigen, speciale drukknop voor mijn eigen, speciale morfinepomp. Want na de ingreep begon de pret pas echt.

Het moet maar eens gezegd: van ziekenhuizen word je ziek. Op zomaar een maandagavond, 19.30 uur checkte ik kerngezond in bij een plaatselijk ziekenhuis. Alwaar ik compleet werd doorgezaagd door een verpleegkundige, die exact dezelfde vragen stelde en exact dezelfde onderzoeken uitvoerde als haar collega een week eerder deed tijdens een pre-operatief poliklinisch bezoek. ‘Dan hoeft dat op de afdeling niet meer.’ (bezuinigingstip?) Al die relevante en nuttige door mij verschafte informatie werd zorgvuldig genoteerd en opgeborgen, om daarna jammer genoeg nooit meer geraadpleegd te worden. Gelukkig bleek ik deze keer slechts één centimeter gekrompen in plaats van drie.
Nog geen twee uur later was ik ziek en murw door een eindeloos gepruts met het inbrengen van een katheter, handig voor later, na de operatie. Probeer maar eens te slapen met een slang tussen je benen- ‘Nee, hij moet echt zo liggen anders verstopt de boel en dat is niet goed.’- terwijl je voortdurend het idee hebt dat je moet plassen. ‘Dat gevoel gaat over hoor, en het hoort normaal echt geen pijn te doen.’ En zo scoorde ik mijn eerste pijnstiller en slaappil en het twijfelachtige stempel van niet goed functionererende patiënt.


Daar ben ik weer. Na de blessuretijd aanbeland in het revalidatieseizoen. Voldoende opgelapt om weer fris en fruitig te bloggen. Met een nieuw en spannend voornemen: iedere dag een stukje schrijven. Of dat me lukt? Oordeel zelf.
De afgelopen week nam ik een proefondervindelijk kijkje in de gezondheidszorgkeuken. Het moet gezegd: de voortschrijdende alarmerende berichten in de media zijn niet overdreven. Toch komt het allemaal wat indringender binnen wanneer het jezelf betreft: het abominabele eten, de oververmoeide en fouten makende verpleegkundigen aan het einde van hun shift, de slechte samenwerking tussen de verschillende afdelingen en disciplines. De theorie van heldere protocollen en ongetwijfeld goede bedoelingen pakt in de praktijk vaak toch wat anders uit.
De komende dagen op dit blog: Medisch Centrum Noord, de zeursoap.


De afgelopen periode bevind ik me in een onbestemde gemoedstoestand. Het is waarschijnlijk het meest te vergelijken met een dier dat zich voorbereidt op een winterslaap. Het hol op orde, de voedselvoorraad aangevuld, nog een laatste wasbeurt, of wat beren zoal doen voor ze zich een tijd terugtrekken. Geregeld denk ik ook aan de ietwat grimmige film die ik ooit zag, The 25th hour.
In deze film beleeft een jonge man zijn laatste uren in vrijheid voordat hij zich moet melden bij een gevangenis om een straf van 7 jaar uit te zitten.
Wees gerust, ik ben niet afgegleden richting criminaliteit, maar moet me slechts melden voor een paar daagjes ziekenhuis. Om daarna thuis verder te herstellen, anderen het werk te laten doen en alles over me heen te laten komen. Helemaal niets doen gaat me over het algemeen heel goed af, dus dat komt wel goed, maar alles over me heen laten komen is niet mijn sterkste punt. Dus plan en organiseer ik me nu al suf voor later, als ik even niets kan. Waardoor momenteel van bloggen of ander denkwerk niet veel komt, en straks voor een korte tijd helemaal niet meer. Ik ga dus even uit de lucht, om hopelijk vanaf 1 juni weer verder te bloggen. Geniet van de lente!


Natuurlijk maak ook ik me regelmatig ergens druk over wanneer ik de krant lees, wat hoor op de radio of zie op tv. Maar echt boos, stoom uit de oren, briesend van woede boos, nee, daarvoor ben ik waarschijnlijk te genuanceerd. Ach, denk ik dan snel, die mening moet er ook zijn, waar maak ik me druk over? Er zijn ergere dingen op de wereld.
Een stuk in de Volkskrant van vanochtend bracht me echter toch in zo’n fulminerend furieuze toestand. In het artikel staat haarfijn beschreven hoe Nederland in Europa een Derdewereldland status heeft op geboortegebied. Voornaamste oorzaak: de grote populariteit van de thuisbevalling in ons land en de slechte samenwerking tussen verloskundigen en gynaecologen.
Die thuisbevallingshype – ik zeg het er maar eerlijk bij – daar deed ik graag aan mee. Ik baarde mijn kroost met elf jaar tussenpauze, in elke eeuw één. En natuurlijk wilde ik thuis bevallen, waar zou ik dat ontspanner kunnen doen dan in mijn eigen vertrouwde omgeving? Over die romantische gebeurtenis las ik uitgebreid in de honderden bevallingsboeken die ik verslond. Bovendien werd het bevestigd door mijn eigen vroedvrouw, die me ook nog een folder meegaf over verticaal bevallen, nog zo’n hype van die tijd. Dus bleef ik na de eerste wee conform het advies voortdurende heen en weer lopen, om de verticale bevalling van na die weeënstorm zo vloeiend mogelijk te laten verlopen. Om 36 uur later alsnog naar het ziekenhuis te moeten, waar ik platgespoten, volkomen horizontaal en uitgeput mijn kind ter wereld bracht. (Daarna overigens nooit meer iets gehoord over de voordelen van verticaal bevallen.)
Ook mijn tweede kind kwam – niet gepland – ter wereld in het ziekenhuis. Kan gebeuren, dacht ik nog, er zijn ergere dingen op de wereld. Tot vanochtend.
Mijn toenmalige vroedvrouw is nu iets hoogs in de verloskundigenvereniging en zegt in de Volkskrant: ‘We kunnen niet langer de ogen sluiten voor het feit dat zo veel vrouwen tijdens de baring naar het ziekenhuis worden verplaatst.’ Voortschrijdend inzicht, denk je dan. Kan gebeuren. Er zijn ergere dingen op de wereld. Maar elders uit het stuk blijkt dat al bij de geboorte van mijn eerste kind bekend was dat 80 % van de eerste kind bevallingen eindigen in het ziekenhuis, en zelfs voor een tweede kind is dat percentage nog 50 %. Als mij die informatie in een folder was uitgereikt, was ik op voorhand beide keren met mijn koffertje naar het ziekenhuis afgereisd. En had ik niet tot twee keer toe een 3,7 maal zo grote kans gehad dat ik slechts met mijn koffertje weer naar huis kon vertrekken.


De eerste zondag van het jaar zonder de R in de maand. Misschien niet iets waar iedereen op let, maar als notoire lezer een belangrijk keerpunt. Tot de volgende R – wat wil zeggen vier hele maanden! – kan ik niet op zondagmiddag naar de openbare bibliotheek. En dat doet pijn. Niet dat ik iedere zondag ging, maar daar gaat het niet om. De gedachte dat het mogelijk is biedt de grootste vrijheid, niet het consumeren ervan. Gelukkig kom ik hoe dan ook wel aan boeken. En verheug ik me tot die tijd weer op de R in de maand.


Ik loop door een tuincentrum en het overvalt me zoals iedere keer: als een zware deken glijdt een totale vermoeidheid over me heen. Zijn het de murmelende muzakjes, de veelheid aan keuzes of de gigantische ruimtes waar je je als consument doorheen moet waden?
Lang geleden ben ik opgehouden me hierover te verbazen. Waar en wanneer ik kan, kies ik voor kleinschaligheid en als dat niet lukt voor het motto verstand op nul, blik op oneindig en ren je rot.
Nieuwe plantjes voor de tuin, dat is het doel vandaag. Behendig stuur ik de kar naar de afdeling kant – en – klaar. Door ervaring wijs geworden ontwijk ik de laatste jaren het deel van de winkel waar de plantjes nog niet lijken op de weelderige fotoafdruk van zichzelf, boven het schap. Omdat ze in mijn tuin dat stadium nooit bereiken, kies ik voor hun grote broers en zussen eenjarigen. En dit jaar hebben ze geluk: niet met pot en al in de plantenbak gekwakt, maar liefdevol verpot met echte tuinaarde, een scheut water en wat mestkorrels. Met dank aan de geduldige tuinman die ook mij heeft groot gebracht.


Komt het door het intens vieze leidingwater of zit het wellicht in het voortdurend moeten (over)leven in die zinderende hectiek van een wereldstad? Hoe het ook zij, het valt me iedere keer opnieuw weer op: Amsterdammers zijn nog een stuk onbeschofter dan de rest van de Nederlanders. (De vanzelfsprekende nuanceringen en uitzonderingen laat ik nu even weg, die kun je bovendien ook zelf wel bedenken.) Dat Nederlanders een stuk onbeschofter zijn dan bijvoorbeeld Amerikanen, leerde ik al tijdens mijn jaar in de VS. Dat Amsterdammers van alle Nederlanders dan weer de ergste zijn verzin ik niet, maar ondervind ik onomstotelijk bij ieder bezoek. Neem vandaag bijvoorbeeld. Deze keer verbaas ik me over de onvriendelijkheid en het chagrijn van een willekeurige cassière van een groot warenhuis. Ik deed niets raars voor zover ik weet, kwam alleen maar iets afrekenen, en vertrok met het meegegeven gevoel dat ik toch wel de domste vrouw op aarde was. Even later bij haar collega hetzelfde verhaal. Het voelt erg ongemakkelijk om als enige klant aan een immens grote balie vijf minuten lang volkomen genegeerd te worden. Geen blik, geen knik, geen ‘ik kom zo bij u mevrouw’, maar een volkomen concentratie met oogkleppen op een klus die eenvoudig even later weer opgepakt kan worden. En dat onder een kolossaal bord met klantenservice erop.
Verder had ik het overigens erg leuk in Amsterdam. Al geef ik toch een welgemeend advies om nooit die stad de dag na Koninginnedag te bezoeken. Bij het flaneren langs de grachten leek het of ik een dagje Napels deed. Hoog opgetaste vuilniszakken met restanten van de vrijmarkt, duizenden bierblikken, losse kleding, papier, voedsel: het lag allemaal als een vuile kraag tussen de Amsterdammertjes gedrapeerd, te wachten op de vuilnismannen die waarschijnlijk naar hun 1 mei viering waren.
Toch blijft Amsterdam een geweldige plek om af en toe even te zijn, om daarna tevreden terug te reizen naar mijn eigen stad met de vertrouwdheid en sfeer van een groot dorp. 

april
Ineens hebben we weer achterburen. Niet dat ze tijdelijk zijn weggeweest of zo. Al achttien jaar zijn ze een constante factor. Niet altijd een leuke constante factor overigens: de piratenmuziek op een zonnige dag, het eindeloze roken en telefoneren op het balkon tijdens lange zomeravonden terwijl wij de slaap proberen te vatten en als klap op de vuurpijl het enthousiaste zwaaien van bezoekers van de overburen als we net aan de rodekool zitten. En dan noem ik nog niet eens de psychotische achterbuurman die me mirre kwam brengen en in één moeite door ten huwelijk vroeg.
De geneugten van het wonen in een stad. Saai is het nooit. Maar iets meer privacy leek me wel wat en daarom regelde ik jaren geleden drie gigantische bakken in de tuin, met daarin hoog groeiende en groen blijvende bamboe. In plaats van zwaaiende buren keken we naar zacht ruisend, wuivend groen. Een verademing. Tot de strenge vorst van afgelopen winter haar verwoestende werk deed. Dorre blaadjes aan de bamboe, en een stevige snoeibeurt door goedbedoelende familie-experts leverde vooralsnog niet meer op dan een restant van stakerige bamboestokken met een enkel groen blaadje. En dus die overburen. Nu zag ik vandaag ineens verdikkingen op de stengels, net kleine groene luisjes. Nu maar hopen op een luizenplaag.

 

Lente

Een woud van suikerspin boven mijn hoofd
passage van zuurstokroze paraplu’s waar
ik stapvoets onder door rijd.

Ligt het aan mij of komt in de stad
de natuur zoveel sterker binnen?

Kleurexplosies tussen opgetaste stenen
vogelgekwetter naast brommergeweld,
contrasten om blij van te worden.

Zuurstokroze maakt klaarblijkelijk
het gemoed onwaarschijnlijk zoet.


Hoe vroeg begint de pubertijd tegenwoordig? Dat vraag ik me de laatste dagen soms vertwijfeld af als mijn tienjarige zoon weer eens buitensporig heftig reageert. Nu weer over bedtijden. Toch maar even googelen of de zijne nou werkelijk zo afwijkend zijn. Wellicht bestaat er zoiets als een NIBUD voor bedtijden?
Gelukkig lijkt soms die puberperiode ver weg. Laatst klonk een enorm indianengehuil van boven en bleek er een spin in zijn bed te zitten. Na eerst een pedagogisch verband te hebben gelegd tussen de miljoenen legoblokjes op de slaapkamervloer en de zich daartussen bevindende stofwolken (Niet zuigen! Laten liggen! Ik ruim het echt wel op !) werd de spin koelbloedig uit bed verwijderd. Niet door mijzelf uiteraard, ik kies mijn partner immer uit op onbevreesdheid op dat terrein.
Maar goed, daarna wilde hij niet meer in bed en werd ik erbij geroepen. Ieder zijn sterke kant tenslotte. En ik herinnerde me gelukkig de allang geleden opgeborgen doos met knuffels op zolder. Daar kwamen ze al tevoorschijn, voor even weer welkom in Wouters bed: beer met zijn Jip- en Janneke pyjama, een mini-replica van zijn eigen slaapshirt ooit, vele maten terug. Schaapje, kwakkie, bever en de groene kikker. Troost en veiligheid alom en een tevreden ronkend kind. Twee dagen later vond ik ze weer, hardvochtig uit de hoogslaper gesmeten, verspreid over de vloer. Ik raapte ze op en vleide ze behoedzaam terug in de knuffeldoos voor je weet maar nooit.


Wachtend in de auto op een vrijwel leeg parkeerterrein dat uitkijkt op groene grasvelden. Op zaterdagen gevuld met rennende personen in gelijksoortige kledingstukken. Nu alleen maar wind, regen en kwetterende vogels. Voor me zie ik een zwarte vogel met witte buik en een lange oranje snavel, als de neus van Pinokkio. Het lijkt of hij kopjes geeft in een plas water. Steeds opnieuw verdwijnt de snavel in het nat. Zoekt hij eten, drinkt hij wellicht? Of is hij zich aan het wassen? Af en toe kwettert hij verheugd. Hij heeft er duidelijk zin in. Dan draait zijn kopje en tikt zijn snavel beurtelings links en rechts, alsof hij zijn veren recht legt. Een koket en tevreden piepgeluid klinkt. Zou hij de plas water als spiegel gebruikt hebben? Narcissus in vogelland? Ik houd het maar op een voorbereiding voor een speed-date.


Vandaag zag ik een auto die volledig volgestouwd was met spullen. Vermoedelijk bedoeld voor een op handen zijnde verhuizing. Het bracht me terug naar mijn jaar in Amerika, waar ik met enige regelmaat zulke volgepropte auto’s zag. Op de gratis parkeerruimte in het winkelcentrum van ons dorp, of het parkeerterrein bij de bibliotheek. Ik zag de auto’s ook als ik mijn wekelijkse dienst draaide bij de voedselbank van Palo Alto. De auto als vervoermiddel annex woonkamer en slaapkamer. Met een kussen en dekens, alle kleren, toiletartikelen en voedsel. Met alle relevante bezittingen. Voortdurend verkassend van parkeerplek naar parkeerplek om boetes te voorkomen, rondtoerend naar plekken om wat voedsel op te scharrelen, een douche te kunnen nemen of een paar uren te werken voor een schamel loon. Een hard bestaan in een samenleving waar de voorzieningen zoals we ze in Nederland kennen vrijwel ontbreken. Ze zijn er wel, maar vaak alleen gefinancierd door particulier initiatief en vrijwilligers. Een druppel op de gloeiende plaat. En daarom wordt er gebedeld in de sjieke winkelstraat in het hart van Silicon Valley, is de stank van ongewassen en duttende lichamen in de leesfauteuils van de plaatselijke bibliotheek soms niet te harden.


Mijn eerste echte woning in Kostverloren was een kleine flatwoning met twee slaapkamers. Alleen de woonkamer en de keuken waren voorzien van een radiator. Dat betekende bij strenge vorst matrassen naar de woonkamer slepen, om maar niet te hoeven slapen in een ruimte met ijsbloemen op de ramen en de temperatuur van een ijscel.
Het leukste aan mijn flat was de waskelder onderin het gebouw. Ik huurde van een socialistische corporatie die de maakbaarheid van de nieuwe naoorlogse wereld probeerde te bewerkstelligen met gezamenlijke wasruimtes. Goed voor de sociale contacten en voor de portemonnee. Dus waste ik op een speciaal voor mij vastgelegd moment de was van een week. In professionele grote wasmachines en drogers, met speciale muntjes te bedienen. Het rook er altijd heerlijk en ik vond het een fijne plek om te vertoeven. Vanwege de gemoedelijke sfeer die er hing, met de antiek ogende wringers, de lavetten waarin je een babyolifant kon baden en de ouderwetse houten droogrekken. Ideaal voor het wassen van slaapzakken en dekbedden. Toch ben ik nu blij dat ik mijn eigen wasruimte heb en kan wassen wanneer ik dat wil.


Mensen uit mijn omgeving opgelet: als je niet van koek houdt, probeer dan vooral contact met mij te vermijden. Want ik moet koek kwijt, veel koek, maar dan wel de enige echte Groningse koek van Knol.
Waarom koop je dan zoveel koek, hoor ik iemand opperen. Goede vraag. Ter ondersteuning van de voetbalclub van mijn jongste zoon is dan het correcte antwoord. De jaarlijkse koekactie is weer daar en als liefhebbende ouder doe je natuurlijk alles voor het behoud van de club. Zo sta ik – voetbalhater sinds mensenheugenis – komende zaterdag koffie te schenken in de kantine onder het motto: alles beter dan langs de lijn staan. Je doet wat je kunt tenslotte.
De geur van al die duizend koeken in onze kleine keuken bracht me terug naar mijn eerste echte woning in de wijk Kostverloren, onder de rook van de Suikerfabriek en de koekfabriek van Knols.
De Suikerfabriek is grotendeels verdwenen uit Stad en de fabriek van Knols koek is onlangs opgegaan in vuur, maar in de tijd dat ik er woonde stonden ze beiden nog pal. Regelmatig ging ik bij Knols koekfabriek langs, aangetrokken door de immer verleidelijke geur van pasgebakken koek, die als een rattenvanger van Hamelen rondwaarde in de buurt. In het kleine verkooppunt in de hal van de fabriek zag ik de nog warme koeken op grote bakplaten liggen. Omdat ik weinig geld had in die tijd, kocht ik altijd de goedkope kantkoek. In grote, slordig gescheurde brokken lagen ze te wachten op kopers, vol van vet en suiker, dus heerlijk. De kantkoek omlijstte de echte koeken op het bakblik, beurtelings gevuld met rozijnen, noten, chocola, gember en sukade (Groningerkoek) of anijs (Oudewijvenkoek).
Inmiddels verleid? Kom vooral bij me langs voor een heerlijk stuk koek.


Struinend door de boekwinkeluitte ik op een kogelrond boek over de honderd grootste taboes, getiteld: Taboe, 100 gevoelens waar Nederlanders zich voor schamen. Het boek was al een jaar of vijf oud, dus mogelijk zijn er inmiddels veel nieuwe bijgekomen, maar ik waagde me toch maar aan een kijkje. Intrigerend kost. Zo blijkt het een groot taboe te zijn wanneer je geen handen wast na het poepen. Mij lijkt het alleen maar erg smerig en onhygiënisch, maar alla.
Heel veel taboes handelen over seksuele onderwerpen in alle soorten en maten en die laat ik graag aan jullie verbeelding over. Maar wat te denken van het taboe van een oudere vrouw met een jongere minnaar? Terwijl het andersom geen taboe is, sterker nog, de man in midlifecrisis die aan een tweede leg begint met een twintig jaar jongere vrouw lijkt wel een hype.
Of het taboe je partner dom te vinden, en je kinderen niet allemaal even leuk. Als dit op jou slaat, wees dan gerust. Je bent niet de enige. Eigenlijk is de aanschaf van dit boek een must voor alle mensen die met schuldgevoelens rondlopen omdat ze niet perfect zijn. Laat los, koop voor slechts € 3,99 dit bevrijdende boek bij de Slegte!


Mijn zoon verheugde zich er op: de fiets moest mee vandaag want hij mocht weer met zijn klas naar de schooltuintjes. Vandaag was extra leuk omdat zijn moeder meeging ter ondersteuning, samen met twee andere moeders. Als gedweeë rekruten meldden wij ons in het klaslokaal waar we een knaloranje veiligheidshesje kregen uitgereikt. Even later vertrokken we: in colonne, als een lange oranje sliert fietsend door de stad. Omstanders behandelden ons als een begrafenisstoet. Ze stopten midden op een kruispunt en lieten ons voorgaan, zelfs al hadden ze voorrang. Voor eventjes geen haast in de ochtendspits, maar vertederde blikken en een moment van respijt. Misschien even een gedachte aan vroeger,toen ze zelf zo fietsten met de juf?
Aangekomen bij de schooltuintjes stond de schooltuinman (in een vorig leven waarschijnlijk militair) ze al op te wachten. Hij had de wind er goed onder en schreeuwde vriendelijk zijn bevelen, die blijmoedig en zonder enig gemor werden opgevolgd. Mogelijk dat hij ook thuis is in te huren?
Elk lapje grond lag als een dikke chocoladereep in gelid te wachten op zijn eigen tuinier. Er werd geharkt, onkruid getrokken en geplant. Met de tong uit de mond werd een hark in de grond geduwd, om daarna langs de stengel met kaarsrechte precisie vingerronde gaten te maken. Even later gingen daar ui-bolletjes in, rode en witte. Iets verderop klonk een rikketikgeluid. De oud-militair wees in de lucht en 26 paar stadskinderogen blikten verwachtingsvol richting de hoge boom waarin zich een specht bevond. Hopelijk worden de stadstuintjes gespaard bij de Catshuis bezuinigingsronde.


Ik stond bij de betere banketbakker taartjes te bestellen voor het 50-jarig huwelijk van mijn ouders, toen ik het me ineens afvroeg. Hoe doen ze dat toch, zo’n lange tijd bij elkaar blijven? Waarom lukt het mensen uit vorige generaties zo veel beter om op jonge leeftijd een partner kiezen en die voor het leven aan zich te binden? Als ik om me heen kijk, lijkt dat iets dat mijn generatie en de generatie die na mij kwam verleerd is.
Zou de voortschrijdende emancipatie van vrouwen van de laatste decennia een rol spelen? In de generatie van mijn ouders verdienden de mannen doorgaans de kost – wie is toch die man die op zondag het vlees snijdt? – en ontwikkelden de vrouwen zich tot huisvrouw en moeder.
Of de Tweede Feministische Golf in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw? Met hun pleidooi voor economische zelfstandigheid van vrouwen, een eerlijkere verdeling van huishoudelijke- en zorgtaken, een gelijkwaardigere positie in de maatschappij?
Stand by your man, zong Tammy Wynette al eens in een lied uit 1968. Sometimes it’s hard to be a woman, but if you love him, you’ll forgive him, ‘cause after all he’s just a man. Een wel heel intrigerende visie op het huwelijk en de verschillen tussen mannen en vrouwen.
De generaties van na mijn ouders leerden steeds beter om zelf keuzes te maken. Onze maatschappij individualiseerde in rap tempo. Als mensen zich meer ontwikkelen en ontplooien, breder en kritischer kijken naar maatschappelijke patronen en gewoontes, dan doen ze dat vast ook in hun eigen huwelijk of relatie. En worden ze wellicht een No man’s wife, zoals dertiger Anouk dat zo fijntjes verwoord. I’m sorry for the times that I made you scream, for the times I made you cry, told you lies. What goes around comes around you’ll see. Niet meer achter je man gaan staan wat er ook gebeurt, zoals onze moeders deden, en Tammy Wynette betoogt, maar voor jezelf en je eigen toekomst kiezen. Sterker nog, met gelijke munt terugbetalen. Nee, daar red je geen huwelijk mee.
Vandaag vieren we officieel de 50-jarige trouwdag van mijn ouders. Twee dagen te vroeg, omdat hun droomlocatie vrijdag 13 april al geboekt was. Wat jammer is, want nu kan mijn moeder niet zoals altijd zeggen: ‘Ik ben op vrijdag de 13e getrouwd, maar nog steeds gelukkig.’
Daarom doe ik dat nu maar voor haar.


Sinds kort gebruik ik af en toe doucheschuim en bodycream van een zeer luxueus merk. Zo’n merk van een concept, waarmee de hele winkel is doorspekt en ingericht en de verkoopsters zijn afgericht om een rituele beleving te verkopen. Je slaat dus geen doucheschuim in, maar een zintuiglijke ervaring.
Nou zou het fijn zijn als zo’n luxeproduct niet veel zou verschillen van de gewoonlijke – vijf keer goedkopere – aanschaf. Helaas is dat niet het geval. Het spul is gewoon geweldig, het smeert beter, schuimt rijkelijk, voelt zachter en geurt goddelijk.
Helaas, hoewel ik er niet failliet aan zou gaan, kan ik het toch niet over mijn hart verkrijgen om het zo maar voor mezelf aan te schaffen. Zoveel geld uit geven aan een dagelijks verzorgingsproduct is me toch te gortig, want te decadent. En dat terwijl ik de oorlog niet eens heb meegemaakt.
Rond mijn verjaardag grijp ik mijn kans en staat zo’n luxebeleving steevast op mijn verlanglijstje. Vervolgens probeer ik dan zo lang mogelijk te doen met een fles schuim. Dat gaat wel eens jammerlijk mis. Omdat ze de opening van de fles zo situeren dat ik de helft op het douchegordijn spuit bijvoorbeeld. Of omdat Wouter ontdekte hoe een scheutje douchegel in luttelijke seconden transformeert tot een dikke schuimlaag. Mijn kostbare fles leeggespoten in één douchebeurt.
Onlangs kreeg ik bij een afscheid een bon voor het schuimparadijs en geniet ik weer, met volle teugen en alle zintuigen. En een kind onder curatele.

Vandaag was zo’n dag die als zand tussen mijn vingers wegglipte.
Zo’n dag waarop je vlak voor het slapen gaan terug kijkt, en denkt: ‘ wat heb ik in vredesnaam gedaan vandaag?’ Niet dat ik de hele dag uit mijn neus gegeten heb, juist niet. Maar het was wel zo’n dag waarop door het doen van duizenden kleine klusjes de grote lijn een beetje zoekt raakte. Alsof je honderden puzzelstukjes legt in een puzzel waarvan je het voorbeeld kwijt bent. En niet omdat je somber bent, juist niet.
Meer alsof er van binnen een muisje zeurend knaagt. Alsof je iets vergeten bent, maar je weet niet wat. Alsof je vandaag iets groots had kunnen verrichten, de wereldvrede had kunnen bewerkstelligen, maar ja, die duizenden kleine klusje waarvan je nu al weer vergeten bent welke ook weer.
Je zou er moedeloos van worden als het niet zulk mooi weer was, en de vogeltjes niet zo luidkeels tjilpten. En ineens moet ik denken aan de spreuk die bij mijn oma op het toilet hing. Maak je geen zorgen, lukt het vandaag niet, dan lukt het morgen. Toen ik heel klein was snapte ik hem niet. Later des te beter. Nog weer later vond ik de spreuk een beetje banaal, de locatie in aanmerking genomen. En eenmaal volwassen geworden wist ik dat het soms toch echt nodig is om vandaag al je zaakjes voor elkaar te krijgen.
Maar op een dag als vandaag past oma’s spreuk als een kleurig lint om een paasei.


Zoekend naar inspiratie voor dit blog kwam ik opeens een aantekening tegen die maakte terwijl ik in sluimertoestand stond te wachten op mijn koffer. Bagageband nummer vijf draaide tevergeefs in het rond; het koffer uitspuwen was nog niet begonnen. Toch viel er genoeg te zien op de draaiende schijven. Stickers uit alle windstreken, door hun oorspronkelijke eigenaar zorgvuldig op de bagage vastgeplakt teneinde hun valies straks in den vreemde eenvoudig te kunnen herkennen, hadden zich losgerukt en besloten vanaf nu te schitteren op een simpele bagageband op Schiphol.
Dial M for Miami, Het wordt alleen maar beter, Rolling Stones, Bloemencorso Lichtenvoorde. Gezellig naast elkaar, voor eeuwig draaiend, als houten paardjes in een draaimolen op de kermis.


Vaak wanneer ik op fiets met mensen uit mijn omgeving krijg ik steevast te horen dat ik fiets als een bejaarde. Hierdoor raak ik overigens, ondanks mijn gevoelige natuur totaal niet van streek. Uit eigen waarneming weet ik immers hoe ik regelmatig bejaarden voorbij snel. En ik weet ook dat die opmerkingen niet echt waar zijn, wat de sprekers eigenlijk op een semi-grappige manier proberen te zeggen is dat ze vinden dat ik vreselijk langzaam fiets, afgezet tegen hun uitermate flitsende tempo. Waarvan akte. Dus is het iedere keer weer even wennen als ik een bejaarde ineens sneller voorbij zie schieten dan ik van tevoren heb ingeschat. Vaak blijkt het dan te gaan om een elektrische fiets. Ondingen zijn, die fietsen met een motortje, dacht ik altijd. Totdat ik afgelopen weekend op stap was met twee bejaarden inclusief bejaardenfiets en ik het ook eens mocht proberen. Sindsdien ben ik om. Ieder schelpenpaadje bergopwaarts nam ik als een Tour de France –rijder, zelfs met Windkracht 6 tegen. En hoezo bejaardenfiets? Geweldige fiets, uitstekend geschikt voor een slow-fietser als ik. Nu maar sparen.


Toegegeven: niet alles wat in de krant staat hoeft waar te zijn, maar ik waag het erop. Voor wie het nog niet wist: 30 maart is Nationale Pannenkoekdag. Hoewel je kunt steggelen over het feit dat zowat iedere dag inmiddels een bijzondere dag is. Dankzij de commercie ongetwijfeld, en dus moet je niet iedere speciale dag toejuichen.
Maar Pannenkoekdag vier ik van harte mee. Iedere keer als ik zit te piekeren wat ik nu weer eens moet koken, komt het eureka bij de gedachte aan pannenkoeken als manna uit de hemel. Want het is beslist geen sinecure, dat koken in een gezin bestaande uit een hardcore vegetariër en twee carnivoren waarvan één carnivoor niets eet waar vitaminen in zitten. Pannenkoeken zijn dus altijd goed. Naturel, of kaas-appel. Met suiker, stroop of maple syrup. En op deze dag de ideale oplossing wanneer er gegeten moet worden met veertien familieleden aan één lange tafel.
Lang leve pannenkoekdag! (En verwacht in vredesnaam geen blogtekst over de Week van de teek.)


Het was al weer even geleden tot mijn grote spijt, maar laatst deed ik het weer, samen zingen. Natuurlijk kun je in je eentje ook goed zingen, bij het schoonmaken of de was ophangen bijvoorbeeld. Menige inzingoefening volbracht ik tijdens het neerhangen van eindeloze hoeveelheden sokken en onderbroeken. Maar samen zingen is zoveel leuker. Het genot van je eigen stem horen klinken in samenklank met andere stemmen die op harmonieuze wijze samenvloeien tot één geheel. Je eigen klankkleur ingebed in contrasterende tonen, waardoor het net lijkt of je geweldig mooi zingt. Kicks voor niks.


En soms heeft een mens zomaar geluk en ontdekt de wetenschap iets waar je nu eens echt wat aan hebt. Ga er eens lekker voor zitten en laat dit parelnieuwtje goed tot je doordringen: van chocola eten word je slanker. Nou heb ik dat nog niet zelf mogen bespeuren, maar mogelijk moet ik mijn eetgedrag aanpassen. Ondanks dat ik al jaren – om andere dan Sonja Bakkerachtige redenen – nauwelijks suiker gebruik, neem ik af en toe na het avondeten één blokje chocola. Vanaf nu doe ik dat vanzelfsprekend vaker, wie wil er nou niet afvallen?
Natuurlijk wordt het goede nieuws gebracht met tien slagen om de arm – wetenschappers nuanceren graag – maar toch. De onderzochte mensen die iedere dag een kleine hoeveelheid chocola eten, hebben een lagere BMI dan mensen die dat niet doen. En wij vrouwen weten als geen ander hoe helend chocola kan zijn bij bijvoorbeeld PMS en sombere buien. Of eigenlijk altijd.
Eigenlijk denk ik heimelijk dat we een stofje missen, dat alleen kan worden aangevuld door het veelvuldig – met mate dus weten we nu – nuttigen van deze bruine weldadigheid. Laat ze dat nou eens onderzoeken, zodat we het in het vervolg op recept en zonder schuldgevoel kunnen afnemen. Tot die tijd ben ik blij en dankbaar voor dit geweldige wereldnieuws.


Op deze stralende zondag reed ik op een kuiertempo door het Drentse landschap. En wederom viel het me op: Drenthe zou niet bekend moeten staan om de vele hunebedden, maar om de ontelbare rotondes. Wat is het dat die Drenten toch zo graag rondjes draaien? Een hang naar vervlogen tijden toen de duizelingwekkende walsen nog bon ton waren? Een prangende behoefte aan overzichtelijkheid op de rustige landweggetjes? Of toch meer als chauvinistisch gebaar: rijd hier alstublieft in rustig tempo, zodat u goed onze prachtige provincie in zich op kunt nemen. Wat ik inderdaad deed, op deze stralende zondag in maart.
weer bezwijken voor de volgende aflevering. Tot slot: vergeet vooral niet vaak naar buiten te gaan voor de pasgeboren baby-eendjes, ontluikende bloesems en het gekwetter van de vogels. Lente!


Moest gisteren de hele dag bijkomen. Naïef misschien, maar vooraf had ik niet bedacht dat ik daar zo moe van zou worden: een ochtendje klussende mannen in huis. Gewoon me terug trekken op mijn werkkamer, deur dicht en gaan typen toch? Naïef, ik zei het al. Om de vijf minuten klonk een klop op de deur. Of ik even kwam kijken hoe hoog ie moest, dat het water eraf ging, de verwarming het nu ook echt niet meer doet hoor, dat er een schroefje onder de slaapkamerdeur door gevlogen was, en of hij het daar weer vandaan mocht halen. En ik vond die radio toch niet erg toch? ‘Nee, helemaal niet hoor’, mompel ik dan huichelachtig. Want ja, van huis uit leerde ik dat je het klussende mannen altijd naar de zin moet maken. Dus serveer ik sloten koffie met koekjes, praat ik beleefd mee over het verschil tussen wonen in de stad en op het platteland en glimlach ik semi-belangstellend als ik gewaarschuwd word voor toekomstige rampen indien ik niet op tijd zorg voor vervanging van andere nuttige apparaten en installaties. Die de klussende man in dat geval natuurlijk graag voor zijn rekening neemt. Voorlopig heb ik echter even genoeg klussende mannen gezien. Maar de badkamer is mooi geworden.


Ze schijnen slecht betaald te krijgen, maar kunnen hun werk doen op tijden die hen uitkomt. Ik heb het over werknemers die we vroeger aanduidden met de term postbodes. Vroeger bezorgden ze alles wat los en vast zit. Tegenwoordig zijn hun werkgevers ontelbare malen van naam veranderd en lijkt er voor iedere brief of pakje een andere besteller te komen. En nu blijken ze ineens gefuseerd met UPS, de Amerikaanse bezorgers in bruine kostuums, die alleen maar rechtsaf mogen slaan in hun saaie bestelbussen. Kom je wel op de plaats van bestemming wanneer je alleen maar rechtsaf mag slaan? Een vraag die me nu al de hele week bezig houdt. Enfin, tegenwoordig heten postbodes postbezorgers en slaan ze vast niet alleen maar rechtsaf, want ze kwamen bij mij thuis iets afleveren op de tijd die hun schikte.
En zo kreeg ik op een grijze maandagavond een gewatteerde envelop met daarin een ei. Een prachtig gebroken wit paasei, met frisgroene bloemblaadjes en een eigeelbloemetje erop. Een knuffelei bovendien, want geheel gebreid en met zachte materialen gevuld. Dit prachtei, door een lieve vriendin in slechts één avond in elkaar geknutseld, hangt nu als een Faberge ei te pronken aan onze grenen kamerkast.


Grommend schuift Wouter het grote bed in. Zoals ieder ochtend mag ie nog even doen, of de nieuwe dag niet net begonnen is. De wekker tien minuten eerder zetten is zo daadwerkelijk een werkdagelijks cadeautje. Maar niet op maandagmorgen. ‘Stomme dag,’ mompelt hij vanonder de dekens. Inwendig geef ik hem vanzelfsprekend volmondig gelijk, maar soepeltjes overschakelend op moederstand, begin ik desondanks een vertoog. Over het belang van contrasten tussen vrije tijd en verplichtingen en hoe je daardoor veel meer kunt genieten. Wat hij na enig nadenken schoorvoetend beaamt.
Nu de lente aanbreekt en het ’s ochtends veel lichter is, lijkt het ook makkelijker om uit bed te kruipen. Helemaal wanneer de zon zich meteen laat zien. En mijmerend bedenk ik opnieuw dat het klopt. De pieken lijken hoger wanneer je ook de dalen kent. Waarschijnlijk zijn ze feitelijk even hoog, maar je waardeert ze meer door de afwisseling.
Dit heb ik in het zonlicht overdacht,
tevreden lurkend aan mijn koffie,
domweg gelukkig, in de Kalverstraat. *

*vrij naar J.C. Bloem


Sinds mensenheugenis ben ik verslaafd aan een televisieprogramma van de omroep die zichzelf graag omschrijft als de grootste familie van Nederland. Mijn fascinatie begon toen ik plannen maakte om een jaar in het buitenland te gaan wonen. Ter voorbereiding las en zag ik alles wat los en vast zat. Van Ik vertrek, de zeer toepasselijke naam van dit programma, leerde ik veel.
Ik vertrek kent een ijzersterke formule. In iedere aflevering figureren twee onbekende Nederlanders. Laten we ze voor het gemak Joop en Annie noemen, uit pak ‘m beet Zaandam. Joop en Annie zijn Hollanders (Hollanders ja, in plaats van Nederlanders, een zeer irritante woordgebruik-gewoonte van meestal Randstedelingen, een verschijnsel waar ik in een toekomstige column graag nog eens op terug kom) tussen de dertig en zestig jaar, al dan niet met een kluitje kinderen, die zichzelf op datingssites zouden omschrijven als gezellige en spontane mensen. Joop en Annie zijn het zat. Holland is te vol, het regent te vaak en er zijn teveel regels. Dat is vanzelfsprekend niet het geval in Het Beloofde Land. Hun droomland, doorgaans voorzien van tropisch klimaat en relaxte levenssfeer, dat Joop en Annie heel goed kennen van hun jaarlijkse vakantie met de caravan.
Een Ik vertrek uitzending verloopt volgens een weldadig vertrouwd stramien. Allereerst vertellen Joop en Annie over hun passie om te vertrekken. Een passie die doorgaans, eigenaardig genoeg, niet gepaard gaat met een gedegen voorbereiding. Wat overigens later wel weer fijne televisie oplevert.
Vervolgens nemen ze afscheid, waarbij de camera inzoomt op snikkende familieleden en vrienden. Vaste quote: ‘we gaan ze natuurlijk vreselijk missen.’
Dan vertrekken Joop en Annie, vol vertrouwen hun avontuur tegemoet. Wij kijkers leven comfortabel hangend op de bank mee met plenty problemen: de onverkoopbare woning in Zaandam, de verbouwing die maar niet af komt, de snel slinkende spaartegoeden en talrijke taalproblemen.
Hopelijk blijken Joop en Annie kinderloos, een gevoelige kijker redt het anders niet zonder zakdoeken. Een leerzaam programma, ik zei het al. Zo weten we nu dat het in Droomland misschien minder regent, maar dat ook daar regels zijn, vaak nog meer dan bij ons. En dat die relaxte levenssfeer wat tegenvalt wanneer je een afspraak gemaakt denkt te hebben. Bovendien: hoezo relaxt? Het is gewoon keihard werken. Als op een regenachtige dag mijn verlangen soms de kop opsteekt denk ik gauw aan Joop en Annie. Ach, regen is zo gek nog niet.

maart
De lente is in aantocht. Ik roek t aan de lucht en d ’eerste holtdoef vlucht, zoals Ede Staal dat zo fenomenaal formuleert. Kort maar krachtig, dat moet wel Gronings zijn. Het veranderende weer schudt ons wakker lijkt het wel. Ik betrap mij ineens op het schoonmaken van oppervlakten waarvan je kon vermoeden dat ze van zichzelf die kleur bezaten. En maak me druk over nooit gewassen gordijnen (niet wasmachine-proof) en de stof die zich daarin ongetwijfeld jarenlang opstapelde. Terwijl ik me daar doorgaans zelden over bekommer.
Toen de zon zich dit weekend even liet zien, kreeg ik Wouter zowaar zover om met mij een tochtje door het plantsoen te maken. We zagen velden vol oranje en paarse krokussen en withangende, betoverende sneeuwklokjes. En we hoorden de vogels luidkeels zingen, al konden we ze als echte stadskinderen niet thuisbrengen. Thuisgekomen ontdeed ik me snel van mijn bruine joggingvodden die me de hele winter als een harnas omhulden. Oranje en lentegroen trok ik aan, als was ik mijn eigen krokus.
t Zel weer veujoar worden.

 


Ik kreeg het vanuit twee deskundige bronnen bevestigd, dus het moet wel waar zijn. Een waarachtige maar treurige primeur: mimosa is uit.
‘ Mevrouw, dat loopt niet meer. Net als fresia’s en anjers. Mijn vader had vroeger zijn kar vol staan met anjers. Ik heb één emmer op de wagen en die neem ik ’s avonds zo weer mee. Het verkoopt niet meer.’ Vol afgrijzen hoor ik de marktkoopman aan. Dat de prins Bernard-bloem niet meer loopt lijkt me logisch. Want wie koopt nou in vredesnaam die truttig aanstelligere rimpelrafels? Maar mimosa? Zacht zoet geurende, fluweelachtig prachtige, donzig frêle mimosa. Hoe bestaat het. Vandaar mijn hartstochtelijke oproep: herontdek de mimosa! Breng mijn lievelingsbloem terug waar ie hoort : bij de bloemist en in de marktkraam. En natuurlijk vooral op mijn salontafel.


Boven de wolken moet de vrijheid wel grenzeloos zijn. Een vertaalde regel uit een Duits lied van Reinhard May. De zanger die nog steeds het einde aankondigt van wat waarschijnlijk het langstlopende radioprogramma van Nederland is. Waarschijnlijk schreef hij die tekst in zijn privévliegtuig, en niet in een lijnvlucht zoals ik. In niets voel ik me vrij boven de wolken, opeengepakt met geurende en lawaai producerende anderen. De magie van boven de wolken vliegen blijft echter wel. Soms vormen de wolken een tapijt van witte vilt. Dan weer lijken ze op watten uit een plastic verpakking: als een ineen gevouwen harmonicabaard van Sinterklaas. Beter is het wanneer ze losse plukken wol lijken, waar doorheen vlakjes groen schemeren in uiteenlopende kleurschakeringen. Of waar sneeuwtoppen schitteren, verlicht door de zon.

Heimelijk geloof ik ook nog steeds dat het kan. Dat mijn diepe kinderwens ooit vervuld wordt. Starend naar boven fantaseerde ik dat ik meevoer op zo’n wolk. Liggend op die zachte watten terwijl de wind me vervoerde naar verre oorden. Mijn illusie werd wreed verstoord toen iemand me vertelde dat ik te pletter zou vallen als ik me zou neervlijen. Van sommige kennis zou je graag verschoond blijven.


Al jaren lijd ik onder al dan niet openlijke beschuldigingen van mijn huisgenoten. Dat ik zo verstrooid ben omdat iemand een pakje zakdoekjes gevonden heeft in de vrieskast. Kan gebeuren. Of omdat ik laat op de avond, of gewoon wanneer ik moe ben, tafel zeg als ik stoel bedoel. Hoe erg is dat nou helemaal op een schaal van 1 tot 10? Van je huisgenoten mag je als mens toch wel enige flexibiliteit verwachten? Veel erger vind ik het zelf wanneer bijvoorbeeld een portemonnee in de prullenbak verdwijnt en een prop papier in de boodschappentas. ( Multitasken is overigens ten alle tijden ook in andere gevallen sterk af te raden.)
Sinds dit weekend weet ik gelukkig dat ik er zelf niets aan kan doen. Ik ben erfelijk belast. Het zit zo. Een tante van mij- ik noem haar naam maar niet omdat dat te pijnlijk zou zijn, maar ze komt uit Ede – bracht een bezoekje aan Stad. Op de fiets toog zij naar het winkelcentrum. Op advies van mij wilde ze die stallen in de fietsenstalling onder de bibliotheek. Met haar voorzetselgebruik zit het zeker goed. Ze is opgeleid als schooljuffrouw in de tijd toen leerinstituten nog geen zesjescultuur kenden. Toch zag zij kans om met de fiets aan de hand de bibliotheek binnen te lopen, al waar zij vriendelijk werd geweigerd en verwezen naar de fietsenstalling in de kelder.


Bezoekers van de Huishoudbeurs vormen een intrigerend soort levende wezens van deze planeet. Ze verplaatsen zich doorgaans groepsgewijs per trein, bij voorkeur met een goedkoop dagtripkaartje van het Kruidvat, waar zij dan het liefst in hun door Libelle of Margriet aanbevolen kledingstukken neerploffen in een stilte coupee. Het overgrote deel is van het vrouwelijk geslacht, alhoewel je – als je goed zoekt – ook wel mannelijke exemplaren aantreft. Die zijn dan vaak in gezelschap van hun vaste, dagelijkse vrouwtje. Met name de groepsgewijs trekkende vrouwelijke exemplaren laten duidelijk van zich horen. Ze stoten luide klanken uit, en doen dit volkomen willekeurig en rap op elkaar reagerend. Ook hinniken ze daarbij af en toe angstaanjagend, al is dat laatste slechts schijn. Doorgaans doen zij geen vlieg kwaad. Al zijn daarop zeker uitzonderingen. Wanneer ze bij het foerageren worden weggeduwd willen ze nog wel eens lelijk van zich af bijten. Men laat ze het liefst gewoon hun gang gaan, dan kunnen ze weinig kwaad. Dit jaar troffen wij dusdanig veel vrouwelijke exemplaren met een lege boodschappenkar, dat wij rustig van een trend kunnen spreken. De evolutie staat nooit stil.

maart
Soms verbeeld ik me deze week dat ik in zo’n speciale bejaardenstad verblijf zoals ze die in Amerika kennen. Senior City in Spain. In alle soorten en maten schuifelen bejaarden over de brede boulevards langs zee. En iedere ochtend vaste prik om negen uur verschijnen ze al dan niet gebadmutst in het zwembad van mijn hotel. Baantjes trekken is er nauwelijks bij. Zwemmen is hier veeleer een sociaal gebeuren. De rest van de dag is het zwembad nagenoeg leeg. Desgevraagd is de verklaring simpel. Na het zwemmen kan de make-up ongestoord opgebracht worden en ook het kapsel niet meer verpest door chloor of badmuts. Logisch, ’s ochtends zwemmen. En als aangewaaide niet-senior voel ik me hier al snel een tiener. In jaren niet zoveel sjans gehad, flanerend langs zee in zomerjurk met zonnehoed. Autoramen openen zich met olijke Spaanse begroetingen. Daar ga ik althans van uit, ik spreek geen Spaans. En als ik bij het zwembad word aangesproken als jonge blom kan mijn vakantie niet meer stuk. Senior City: ik kan het aanbevelen.

februari
De recessie heeft aardig huis gehouden op mijn vakantieplek. Grootse bouwwerken staan half afgemaakt al jaren te verkommeren, tevergeefs wachtend op betere tijden. Werkloze hijskranen staan als giraffen voor zich uit te staren en worden blijkbaar ook elders niet gemist. Overal hebben de bewoners het merkbaar moeilijk. Dit oord moet het hebben van toeristen en die verschijnen niet zo veelvuldig als vroeger. Al blijven de overwintersenioren zich trouw melden. Een fijne bijkomstigheid, je voelt je al snel een jonge blom als je om je heen kijkt. Het handjevol toeristen die wel kwam wordt gelokt met bespottelijk lage prijzen. Voor een prikje kun je je melden bij een makelaar voor een appartementje aan zee of een complete bar met inboedel. Overal staan borden aangeplakt met te koop staande flatjes. In het straatbeeld achterstallig onderhoud, waar je ook kijkt. Het eens mooi ingelegde tegelpatroon op de boulevard is stuk en versleten. Torenflats staan verveloos te staren over zee. Restaurants ogen leeg. Het is nog voorseizoen, maar toch. Alleen de uitbaters die zeer voordelige menu’s aanbieden krijgen klandizie en moeten het hebben van de omloopsnelheid. Maaltijdsoep met brood voor 1 euro 50 en tapas met brood voor een euro. Alles vers en zelfgemaakt. Zou dat in het hoogseizoen nog steeds zo zijn?


Soms ga je naar plekken waar je nooit de intentie had naar toe te gaan. Omdat je denkt dat ze niet bij je passen, mensenhanden teveel kapot maakten van wat eens puur en prachtig was. Plekken met veel mensen, plat vermaak en lawaai. En als je dan – gezwicht door andere, zwaarwegendere redenen – gearriveerd bent, is het goed om te merken dat schoonheid en geluk overal te vinden is.
In liefdevolle zorg en aandacht, in flintertjes overgebleven ongerepte natuur, in zon op de blote huid midden in de winter. Je ontdekt bijvoorbeeld de bekoring van contrasten: een schroothoop van verroeste vrachtwagenonderstellen opgestapeld tegen witte schuttingpalen. Of een zacht klotsende branding in een ovaalvormige baai met eindeloze rijen flatgebouwen met balkons. Als een gigantisch voetbalstadion gericht op dat ene punt dat hier niet groen is maar blauwachtig grijs. Een zweem zeelucht waait mijn kant op, het ruikt vissig. Kleine golfjes kletsen op glibberig uitgeslagen rotsblokken, een rustgevend en vredig geluid, regelmatig afgewisseld door geknetter en getoeter van de vele scooters die langs de boulevard schieten.


Dit wordt een zuur stukje, dus sla het vooral over als je wel wat beters te lezen hebt. Probeerde ik sinds de start van dit blog om de twee dagen iets te schrijven, de laatste weken mislukte dat jammerlijk. Pijn is aan niemand besteed en ik ben daarop geen uitzondering. Doorgaans behept met een redelijk zonnig humeur – maandelijkse bekend veronderstelde momenten daargelaten – verander ik in een wild verscheurend beest zodra de eerste pijnscheuten merkbaar zijn. Mocht ik ooit geveld worden door een slopende ziekte dan zal ik mij uit piëteit met mijn dierbaren terugtrekken in een hutje op de hei. Met morfinepomp hopelijk. In mijn rouwadvertentie geen zinsneden als moedig gedragen ziekbed maar eerder ze droeg haar ziekte als een bitch met zelfkennis. Zitten lukt slecht met rugpijn en erg creatief word je er ook niet van. Wel mopperig zoals gezegd. Dus laat ik nu gelijk maar van die gelegenheid gebruik maken. Mijn jongste broer waarschuwde me aan de start van mijn blog vooral niet te veel zure stukjes te schrijven. En daar heeft hij gelijk in. Nu ik echter toch al bezig ben kan ik maar beter van de gelegenheid gebruik maken. Dus hieronder een aantal ergernissen die het vanwege het zuurgehalte niet geschopt hebben tot verschijning op dit blog maar die ik nu verschrikkelijk graag grommend kwijt wil. Om wijlen Robert Long te citeren: ‘Dan zou ik toch nog even graag heel beschaafd willen zeggen: ’
Alle rokers voor de ingang van een ziekenhuis, rook uitblazend boven grote verbodsborden wens ik een ernstige longziekte voor een dag.
Al die doortaterende reizigers in een stiltecoupee mogen van mij drie reizen lang staan in een tussenstuk.
Al die verkeersgebruikers die geen richting aangeven zodat je voor Piet Snot staat te wachten, of dubbel geparkeerd staan en onveilige situaties veroorzaken, me op de stoep omver fietsen, of gaan schelden omdat ik voorrang verleen waar dat verlangd wordt, veroordeel ik tot een lekke band op een plek zonder telefoonbereik.
Dat lucht lekker op en smaakt naar meer. Weest gerust, de volgende keer pak ik wel een dagboekje.


Altijd leuk om iets te doen dat je niet eerder deed. Leuk en spannend tegelijk. Zo mocht ik voor het eerst in mijn leven onder een MRI-scan. Op een late zaterdagmiddag in Utrecht. In een spookachtig verlaten ziekenhuis zat ik moederziel alleen in een lege wachtruimte omringd door lange gangen. Alleen een schoonmaker was in de verte te horen, rijdend op een soort grasmaaimachine maar dan met een dweil eronder. Even later werd ik uit mijn eenzaamheid verlost door een zeer verbolgen verpleegkundige die me toebeet dat ik in de verkeerde wachtruimte zat. Terwijl ik slechts de instructies van de portier opvolgde. Waarschijnlijk had ze liever gewinkeld die middag. Ik volgde haar een ruimte in met een kleedkamer. Ze zei iets dat ik niet verstond vanwege een vreselijk lawaai alsof er een kudde olifanten hard lopend met drilboren in de weer was. ‘Is er nu nog iemand in de MRI?, vroeg ik. Ik had al gehoord dat ze nogal wat lawaai maken. Maar het bleek dat ze beneden aan het verbouwen waren. En dat was jammer, want nu weet ik nog niet of de diverse geluiden die ik ondanks een gigantische koptelefoon op mijn hoofd door mijn hersen voelde dreunen nou van de verbouwing of het apparaat kwamen.
Een MRI behandeling kan ik nu proefondervindelijk aanraden als een zeer ontspannen activiteit. Het enige dat je hoeft te doen is languit liggen en niet bewegen. Iets wat mij doorgaans van nature moeiteloos afgaat.


Een ramp komt nooit alleen, voor zover je kunt spreken van een ramp natuurlijk. Op de schaal van wereldleed is het vanzelfsprekend een pluisje. Op de schaal van dagelijkse beslommeringen scoort mijn tegensputterende rug echter toch wel tamelijk hoog. Terwijl ik zo goed bezig was. Met fysiotherapie en braaf oefeningen doen was ik weer dusdanig op de been dat ik dacht mijn yogalessen te kunnen hervatten. Yoga lessen zijn mijn oplossing voor de van regeringswege aanbevolen bewegingsactiviteiten. Je moet wat als je niet sportief bent. En voor ze me voor het niet bewegen uit de ziektekostenverzekering gooien dacht ik er goed aan te doen om maar weer eens voorzichtig te beginnen. Dat bleek een misvatting en nu zit ik zwaar onder de medicijnen om het dagelijkse leven nog enigszins dragelijk te houden. Maar het heeft zijn voordelen. Vooral op de ontspanningspillen reageer ik uitermate goed. Zo goed dat ik totaal geen last heb van het feit dat de wasmachine al een tijd stuk is en pas over een week vervangen wordt. Blijmoedig bezie ik de groeiende berg wasgoed en trek nog maar eens de sokken van gisteren aan. Schoon wasgoed wordt zwaar overschat.
Ik hoop dat mijn rugklachten nog even aanhouden totdat de nieuwe wasmachine komt.


Onze stad is in een ansichtkaart van Anton Piek veranderd. Fietsend langs de grachten van Groningen zie ik de oude zeilschepen en woonboten vastgeklonken aan stevig, schaatsbaar ijs. Voor het eerst in vijftien jaar is het mogelijk een rondje stad te schaatsen, onder de bruggen door, langs het veelkleurige Groninger museum. Om het Anton Pieck gevoel nog wat te vergroten heeft een bootbewoner een zopie tent ingericht. Een ouderwets grote ijzeren ketel staat klaar voor de zopie-liefhebber, met plastic bekertjes ernaast wat wel een beetje afbreuk doet. Even overweeg ik het ijs op te gaan om aanschouwelijk te onderzoeken hoe dat toch smaakt, zopie. Maar ik besluit het thuis op de moderne manier te doen. Helaas levert googelen diverse mogelijkheden op, van warme chocolademelk tot zelfgebrouwde warme dranken met rum en bier. Over vijftien jaar maar eens echt gaan proeven.


Zoals je af en toe een was draait op 95 graden om de machine te beschermen tegen bacteriën en kwade reuk, zo merk ik dat zonder afleiding kunnen schrijven goed is voor mijn algeheel welbevinden. En het omgekeerde is ook waar: zodra die rust er niet is, ik teveel word opgeslokt door immer terugkerende huishoudelijke beslommeringen en andere dringende zaken des levens ( je kent ze wel) verander ik langzaam in een weerwolf, maar dan zonder extra haar gelukkig.
Blijven schrijven dus, tegen de klippen op, is mijn goede daad voor de mensheid. De mensheid in kleine kring dan wel te verstaan. Zou je denken. De mensheid hier in huis is echter doorgaans meer geïnteresseerd in het wanhopig signaleren van het laatste pak koffie ( hint) of de vindplaats van voetbal- en handschoenen. Mij valt dus duidelijk niets te verwijten wanneer ik weer eens briesend door het huis loop.


Ik kan het nu officieel bevestigen: het is echt koud. Vannacht was het in ons beschutte en geheel ommuurde postzegeltuintje maar liefst min dertien graden. En vanochtend was daar de primeur van het douchen met bevroren spons en shampoo. De lente lijkt verder weg dan ooit en vanavond eten we boerenkool.


Er zijn veel redenen op te noemen om de vrieskou vooral te vermijden. Wintertenen, Elfstedentocht-hysterie en kapotte waterleidingen om maar een paar te noemen. Toch ontdekte ik ook voordelen. Het meest bijzondere voordeel vind ik de stilte. Waag je naar buiten in de ijzige kou en je ontwaart een serenere wereld. En niet alleen wanneer er sneeuw ligt en de stilte logisch lijkt vanwege het dempende effect van de witte deken op de stoep. Ook zonder sneeuw is daar die weldadige stilte. Alsof ook het geluid zijn klinkende best moet doen om warm te blijven en daarom niet te veel energie wil verspillen. Van mij mag het nog even blijven vriezen.

Gezegend met twee linkerhanden koester ik een mateloze bewondering voor beeldend kunstenaars. Dat het in je op komt om een lamp te maken van puzzelstukjes en dat het je vervolgens ook nog lukt om zoiets daadwerkelijk in elkaar te boetseren. Gisteren bezocht ik een begaafde jonge kunstenaar die voor mij een geweldige rok naaide van alleen maar stropdassen, waaronder oude stropdassen van mijn vader en dassen gekocht in mijn lievelingsdorp in Californië. Als dank knutselde ik iets met woorden.

Stropdasrok

Sierlijk gestrikte stroken
stof masculien van snit
kleurige waaier van
herinnering en geduld

een fantasierijke fee
weefde vlijtig een kunstwerk
van vlas en van zij
gesponnen met tijd
en met aandacht


Het schijnt dat mensen naarmate ze ouder worden steeds vaker poneren dat het vroeger allemaal beter was. Dus ik begeef me op vreselijk glad ijs, en dat bij min zeven buiten. Vroeger, toen alles nog beter was, kwam eens per week op een vast tijdstip een grote vuilniswagen met dito stoere mannen langs om de aan de weg gezette zakken weg te halen. Hoe simpel was dat? Gewoon de zakken verzamelen, onthouden wanneer ze aan de weg moeten en die paar meter van schuur naar de weg waren nog te overzien.
Tegenwoordig moeten die zakken driehonderd meter verderop gedeponeerd worden in een ondergrondse vuilcontainer. Een aanslag op je rug en schouders, helemaal omdat je de helft van de tijd weer terug moet sjouwen met die zakken omdat de container vol zit of weer eens kapot is. En omdat onze straat om onverklaarbare redenen tot de binnenstad behoort, wordt ons vuil niet gescheiden. Dus zijn de zakken immens zwaarder, want gevuld met tuinafval, bedorven sierpompoenen, aardappelschillen en bloemkoolstronken. En dan heb ik het nog niet eens over het schuldgevoel bij het weggooien van een verschimmeld brood of een uitgedroogd, onder de wapenwet vallend stokbrood. Ik gooi toch liever voedsel weg met de gedachte dat uit het te maken compost nog eens een geweldige bloem groeit.
Onze vuilniszakken verzamelen zich nu eveneens in onze kleine schuur, maar bij gebrek aan afhaaldag blijven ze zich daar verzamelen tot het moment dat onze fietsen niet meer uit of in de schuur kunnen. Nu heeft het baren van slechts zonen voordelen zou je denken. Zeker wanneer die zonen in hun pubertijd onbegrijpelijke dingen doen met gewichten en daardoor afschrikwekkende spierbundels ontwikkelen. Terwijl ze natuurlijk hun tijd veel beter besteed hadden door het trainen van hun hersens. In de tijd dat mijn oudste zoon nog thuis woonde bereikten we door jarenlange opvoedkundige training zelden of nooit het moment dat we de schuur niet meer in konden. Al is een groot deel van mijn onzichtbaar geverfde grijze haren aan deze jarenlange training te wijten. Herhaling is de kracht van de boodschap, en die boodschap verliep wekelijks geheel cyclisch en cumulerend. ‘Zou je vandaag alsjeblieft de vuilniszakken willen wegbrengen, mag ik je nog even herinneren aan, denk je om, wanneer denk je dat, als je nu niet, zijn die @#%$#@$ vuilniszakken nog steeds niet!’ Tot het wanhopige moment van gele memoblaadjes plakken op strategische plekken de truc deed. Enfin, tegen de tijd dat ie uit huis ging verliep het moeiteloos. Nu is de jongste in training en nemen mijn kappersbezoeken weer in frequentie toe.

januari
Eindelijk kan ik de cadeau gekregen zakjes met zaadbolletjes voor de vogels ophangen in de tuin. Winter. Toch nog. De Noorse trui kan eindelijk weer uit de kast en de kachel wat graadjes hoger. Alleen die ogenblikkelijke gekte van gretige schaatsliefhebbers zou een onsje minder kunnen. Maar ook dat went wel weer en ebt bovendien vanzelf weg naarmate de temperaturen dalen.
Het is of de kou ons weer even wakker schudt uit die saaie januarimaand waar je als noordeling nu eenmaal altijd even doorheen moet. Tenminste als je niet kunt overwinteren zoals de trekvogels en actieve senioren, zoals gepensioneerden tegenwoordig graag genoemd willen worden. Zelf bracht ik een bezoek aan twee trekvogelsenioren die naar Spanje vliegen. Met de koffers en handbagage tot op een ons nauwkeurig beladen met rookworsten, poedersoep en gevriesdroogde boerenkool. Jammer dat de goedkope vliegmaatschappijen het toegestane gewicht zo ingekrompen hebben, anders hadden de piepers ook nog meegekund. Het zij ze gegund.
Wij genieten wel van de tere sneeuwklokjes die heel dapper al staan te klingelen boven de bevroren grond.


Samen met mijn tienjarige zoon kuier ik door de straat vlak bij ons huis die ooit bol stond van buurtwinkeltjes. Inmiddels tellen we onze zegeningen met de steeds van naam en eigenaar veranderende buurtsuper, een bloemenwinkel en een kopieerwinkel. Naar die laatste zijn we op weg, om de voltooiing van een prachtig werkstuk over de Eerste Wereldoorlog te belonen met een glanzende kaft.
Aan de overkant van de straat ontwaren we een voor Groningse begrippen vreemd beeld. Twee geheel in zwarte boerka’s gehulde vrouwen. Een van hen duwt een wandelwagen met een klein jongetje erin. Het is een fascinerend gezicht om op een kleine streep bij de ogen na een mens totaal bedekt te zien. Ongemakkelijk ook. Waarschijnlijk omdat het een lawine aan emoties en gedachtes oproept.
Dat het natuurlijk moet kunnen, iedereen zijn vrijheid nietwaar? Maar. Dat het vanzelfsprekend overdreven is om zo je religie te moeten beleven. Maar. Dat het natuurlijk ook vreselijk vrouwonvriendelijk is. Maar. Dat het feit dat je zo over straat moet omdat mannen zich anders niet zouden kunnen bedwingen furieus makend is. Maar. Dat het ook nog eens vreselijk ongezond is om geen daglicht te vangen. Maar. Dat je natuurlijk niet met Wilders en consorten geassocieerd wil worden. Maar. Als je wacht op een slotconclusie moet ik je teleurstellen. Die heb ik niet. Maar of verbieden nou zo’n goed idee is? Ik waag het te betwijfelen. Mijn zoon heeft zo zijn eigen gedachtenspinsels.
‘Waarom heeft het jongetje wel gewone kleren aan?’


Als ik de straat uit fiets zie ik midden op het trottoir een perfect gevormde hoop sigarettenpeuken in de vorm van een bijna volle maan. Als een paardenbloem op saai beton vormt het een vrolijke noot op de stoep. Misschien moet ik het daar gewoon bij laten en niet verder nadenken over wat er aan vooraf ging. De voorheen illegaal geparkeerde auto en de achteloze, wellicht bijna onbewust vanzelfsprekende handeling om afval te dumpen. Een asbak is gauw geleegd.
Zo’n asociaal gebaar uit zelfbescherming gewoon niet binnen laten komen. Om me niet de hele dag te hoeven ergeren aan energieverspillende hufterigheidjes die zich als springbalsemien opdringen. Plotseling op de rem moeten staan bijvoorbeeld, omdat ik van de sokken gereden word door een van de stoep afkomende fietser. Een middelvinger ontvangen omdat ik voorrang verleen voor rechts.
Vanaf nu houd ik me aan de geweldige tip die ik onlangs las. Juist niet in de begeerde stiltecoupé plaatsnemen en je vervolgens blauw ergeren aan het gekwek. Daarentegen in een normaal treinstel stappen waar lawaai gebruikelijk is en daardoor vanzelfsprekend.
Gewoon minder verwachtingen koesteren, dan valt het allemaal niet zo tegen.

 

Mooie woorden maken gelukkig. Dat las ik vanmorgen in een met eindeloos geduld – mindful noemen ze dat tegenwoordig – eigenhandig in elkaar geknutseld kalendertje uit een tijdschrift. Alles voor een glimlach, dus lever ik graag mijn bijdrage op deze miezerige maandagochtend.

Pompoensoep

Tuttifrutti

Ruisen

Zeezout

Paardenstaart

Miezemuizen

Oelewapper

Snoetjeknovveln


Alhoewel ik dagelijks de krant spel sla ik steevast het sportkatern over. Het leven is toch al zo kort. Soms ben ik er niet op verdacht en blijk ik toch ineens iets over sport te lezen. Vaak blijkt dan dat ik er dan ben ingeluisd. Hebben ze zomaar een sportonderwerp in de nieuwssectie verstopt. Het wordt er allemaal niet beter op, ik hoor het u zeggen. Vandaag was dat weer eens het geval, alleen was het dit keer geen straf. De sportverslaggevers waren elf jaar oud en gaven op zo creatieve wijze commentaar dat het zelfs mij kon boeien. Zo weet ik dat het meest interessante moment van de wedstrijd werd bepaald door vijf duiven op de middenstip, en dat er niet werd gescholden. Nou ja, bijna niet. Er was één jongen die het bestond om ‘poephoofd’ te roepen. Hij werd vanzelfsprekend meteen afgevoerd.
Ach, alleen al de gedachte aan een stadion vol kinderen bij een ( van horen zeggen) risicowedstrijd als Ajax- AZ maakt mij aan het glimlachen. En herinnerde mij ogenblikkelijk aan de tophit uit mijn jeugd: Als ik de baas zou zijn van het journaal, uitgevoerd door het kinderkoor met de rollende erren. Ze zongen:

Als ik de baas zou zijn van het journaal
Dan werd meteen het nieuws een heel stuk positiever
De hele wereld werd meteen een beetje liever
Want ik negeerde alle narigheid totaal.

Het geld dat we zouden besparen wanneer vanaf nu alle voetbalwedstrijden alleen bezocht worden r door kinderen. De pensioenfondsen kunnen meteen gaan stoppen met korten en hun lege sokken aanvullen.


Apparaten en ik, ik en apparaten. Het is en blijft geen fijne combinatie.
En apparaten moet je heel breed zien, dat ook nog eens een keer. Het begon al met die eng dunne ijzeren breipennen van de handwerkles in klas vijf. Steevast hing het rampzalige breiwerkje na iedere vakantie als een verlept vaatdoekje vastgeroest aan de pennen. En het naaien van lavendelzakjes op de naaimachine verliep al even dramatisch. Waarom eindigde ik altijd met tien in elkaar geknoopte draden bungelend uit de machine? Lang bleef ik uit feministische motieven boos over het feit dat ik indertijd niet naar de veel uitdagendere handenarbeidles mocht, net als de jongens. Nu denk ik opgelucht dat deze hardvochtige discriminatie me achteraf gezien in leven heeft gehouden. Je moet toch niet denken aan de gevolgen van een figuurzaag of hamer in mijn kinderknuistjes van weleer. Ach, al doende leert men, absoluut waar. En de meeste huishoudelijke apparaten heb ik met inmiddels enige levenservaring op de teller echt wel onder de knie. Tot en met de extra trap tegen de wasmachinedeur om hem echt van start te laten gaan.
Maar die computer van mij blijft kuren houden. Als hij nou eens gewoon zou doen wat ik wil hoef ik toch eigenlijk geen back ups te maken? En waarom eigenlijk kan ik niet elk bestand in Word opslaan zoals ik gewend ben? Het feit dat het een ander programma betreft vind ik zo’n zwak excuus. Ze kunnen zoveel tegenwoordig, laten ze daar nou eens wat aan doen. De mond vol van gebruikersvriendelijke systemen en dan zoveel opsla-mogelijkheden scheppen, dat ik opgeslagen foto’s met geen mogelijkheid terug kan vinden. Eigenlijk ligt het helemaal niet aan mij, maar gewoon aan die apparaten. Kijk, dat is nog eens een conclusie om vrolijk van te worden.


Ineens is het winter, zo plotseling als een onverwachts afgezegde tandartsafspraak en net zo welkom. Een kraakhelder blauwe lucht, kale boomtakken gefilterd door zonlicht en met poedersuiker bestrooide, halfvergane bladeren op de grond. Het is zo stil buiten dat het lijkt of de wereld voor even de adem inhoudt. Stilte voor de storm of bevriezingverschijnselen?


In een al eerder genoemd interview met straatpsychiater Jules Tielens betoogt hij de zinloosheid van het tegenspreken van psychotische mensen. Als iemand rotsvast overtuigd is van zijn gelijk helpt het niet om hem te vertellen dat hij het mis heeft. Wat wel helpt is zorgen dat je contact maakt. Door te luisteren, door zonder vooroordelen mee te helpen zoeken naar een oplossing. Dus luisterde ik toen ik nog als woonconsulent werkte vol aandacht naar huurders die werden afgeluisterd via transistorradio’s, vergiftigd via gaten in de muren ondanks de pleisters die de gaten bedekten. Naar huurders die werden bespied door ruimtewezens in hun flatwoning op zeven hoog of horendol van getik op verwarmingsbuizen door klopgeesten. En dat onbevangen luisteren altijd aan te raden is werd duidelijk op die momenten dat ogenschijnlijke psychoses ordinaire technische mankementen bleken.

 

Kicks voor niks.
Als je goed kijkt zijn er zoveel dingen waar je zonder een centje pijn blij van wordt. Als je ze wilt zien natuurlijk. Vaak zijn de pareltjes echter bedolven onder grote gebaren, overwoekerend onkruid, het gemak van de sleur van alledag en ach laat maar. Mocht ik dan echt tegen beter weten in voornemens opstellen voor het nieuwe jaar, laat het dan zijn dat ik me vaker laat verrassen, sneller ja zeg en me verwonder in plaats van erger. En een open oog heb voor schoonheid. Zoals mijn flitsende miniturbomelkmotortje, dat elke kop koffie tot een cappuccino tovert. Zoals het inspirerende interview met een straatpsychiater in de NRC van vandaag. Zoals een avond samen met mijn tante naar poëzie luisteren, voorgedragen door dichters.
Kicks voor niks.


Mijn moeder vertelde me onlangs een nieuwtje. Het dateert weliswaar van lang gelegen, maar was daarom niet minder schokkend. Mijn toenmalige vriendinnetje van de lagere school wilde niet dat ik bij haar thuis kwam spelen. Dus spraken we altijd bij mij thuis af, naar mijn idee omdat haar moeder het huis netjes wilde houden. De ware reden blijkt echter mijn niet te stillen leeslust. Zodra we in haar kamer waren griste ik meteen een boek van haar welgevulde boekenplank en begon te lezen. En dan kwam er van spelen niet zo veel.
Bij ons thuis kochten we geen boeken. Die leenden we van de bibliotheek. Het enige boek dat ik kreeg was het jaarlijkse kerstcadeau van de Zondagsschool, steevast een moraliserende, schuld- en boete- propagerende tranentrekker van reli-kinderboekenschrijver W.G. van der Hulst. Met zo’n saaie kaft.
Nee dan Gina, die bezat een plank vol populaire gebonden meisjesboeken met veelkleurige omslag. De boeken die ik het liefst van alles wilde lezen en die in de kinderbibliotheek altijd uitgeleend waren. En toen deden ze nog niet aan zoiets frivools als reserveren. Mij treft dus geen blaam. Bovendien: wiens schuld was het nou helemaal? De ouders van Gina verboden haar het uitlenen van boeken. Pure kindermishandeling als je het mij vraagt. Van mij om mij zulk kostbaar goed te ontzeggen, en vooral ook van hun dochter die daardoor geen flexibel speelvriendinnetje ter beschikking had. En wat een verkwistende ouders, om dure boeken te kopen voor een dochter die ze vervolgens nooit las. Nooit! En veel plezier had ik overigens ook niet van dat lezen daar met voortdurend een zeurende Gina aan mijn hoofd. Onze vriendschap heeft het dan ook niet overleefd toen we beiden naar een andere middelbare school gingen. Daarom kan ik nog steeds niet met droge ogen kijken naar de volle boekenkast van mijn jongste zoon die al die weelde heel gewoon vindt.


Als ik de buitendeur open doe is slechts de helft van de vertrouwde buitenwereld aanwezig. Mist blijft een mystiek fenomeen en een graag gebruikt metafoor waar ik me vandaag niet aan zal wagen, al is het verleidelijk. Vandaag is voor andere zaken. Bijvoorbeeld de treffende column van Arnon Grunberg in de Volkskrant van vanmorgen. Alhoewel ik geen fan ben van zijn werk – inderdaad, ik ben zo’n verfoeide leesbarbaar die niet graag iets leest van iemand waar ik geen sympathie voor voel – kan ik zijn korte columns op de voorpagina nog net hanteren. En soms zegt hij toch iets dat me raakt. Vandaag vertelt hij over het vieren van zijn pas toegekende Amerikaans burgerschap. En hoe hij bij die mededeling door mede-Amerikanen meteen wordt opgenomen als een van hen.
Mij bracht dit meteen terug naar ons eenjarige verblijf in Californië, waar we eveneens direct als medeburger werden geaccepteerd volgens de uiterst eenvoudige regel: als je hier woont ben je er één van ons. Niks mistigs aan. Simpeler kunnen we het niet maken. We hoeven het alleen maar na te leven.


Het komt niet zo vaak meer voor, maar ineens is het er dan soms toch en meestal op onverwachte momenten: het kind in mij. Deze keer sprong het naar voren omdat ik gisteren nieuwe kleren kocht in de uitverkoop. En die wil ik dan natuurlijk meteen aantrekken. Ik prees me vroeger al gelukkig met een invoelende moeder die me dit ook toestond, in scherp contrast met mijn sneue vriendinnetjes die de geliefde nieuwe aankoop moesten bewaren voor de zondag.

Na dagen van slecht weer scheen vanochtend een blekig zonnetje en kreeg ik zowaar zin in een ommetje. In mijn nieuwe houtje-touwtje en toch stijlvolle winterjas met gebroken wit wollige sjaal natuurlijk. Maar wat jammer van het bijpassende setje handschoenen en muts. Zonde om die niet ook in te wijden. Bovendien, het was maar vijf graden boven nul. Dus toog ik geheel in stijl naar buiten waar ik al snel de enige bleek met muts én sjaal én handschoenen. Meewarige blikken trotserend wandelde ik dat het een lust had en voelde ik me alras getroost door goedgemutste meisjes die ter Moslimkerke gingen. En even buiten de stad, zonder de beschutting van de huizen en flats was ik maar wat blij met mijn smaakvolle setje.

Bovendien, wie maalt nou om de mening van omstanders als je eigen significant other je een cutie pie noemt in je nieuwe outfit?


Proefondervindelijk kan ik uiterst tevreden constateren dat ik ondanks een lange periode van noodgedwongen onthouding het nog steeds in me heb.

Uit dankbaarheid deel ik natuurlijk graag mijn ervaringsdeskundigheid met mijn trouwe lezers.

Tactisch tips voor mensenmassa mijdende types die toch willen profiteren van de uitverkoop.

Ga zodra de winkels open zijn.

Weet wat je wilt kopen.

Kies van tevoren de te bezoeken winkels uit.

Blijf niet langer dan anderhalf uur winkelen.

Ga voor goed, maar wees tevreden met goed genoeg.

Herhaal zo nodig een volgende dag bovenstaande regels.

Vannacht overkwam het me weer eens. Wakker worden met een smekende blaas om vervolgens met een uiterste krachtsinspanning de blote voeten op het koude zeil te zetten voor een bekend veronderstelde activiteit. Om dan vervolgens in bed te gaan liggen navelstaren. Of navelstaren, dat is wat negatief geformuleerd. Eigenlijk schrijf ik op die  momenten de prachtigste volzinnen, krijg ik de geweldigste ideeën en de beste oplossingen voor alle grote wereldproblemen. De prijzen die ik had kunnen winnen wanneer ik ’s nachts opnieuw was opgestaan om die briljante gedachten op papier te zetten..
Maar ja, ik ben nu eenmaal weer één van die mensen die haar schoonheidsslaapje o zo bitter nodig heeft. En dan, dat ijskoude zeil.

Net na de jaarwisseling zie ik een blonde jongen weghollen vanuit een winkelcentrum. Hij rent alsof hij achterna gezeten wordt door een kudde stieren in een eeuwenoud smal steegje, zoals je dat wel eens ziet op tv.
Betrapt met vuurwerk of iets gepikt, concludeer ik terwijl ik hem fietsend nakijk. Om vervolgens beschaamd te constateren dat hij hijgend stil houdt naast een stoppende bus.
Dat wordt opnieuw formuleren van goede voornemens.

Niet eerder had ik last van onze vrouwenhuishouding. De meeste klussen krijgen wij geklaard, al dan niet met een voor de gelegenheid ingevlogen manspersoon.
In mijn feministische periode zou ik dit knarsetandend aanvaard hebben, nu berust ik erin dat er nu eenmaal enkele zaken zijn waar ik minder goed in ben en waar mannen doorgaans sterker in zijn.
Oké, oké: veel meer zaken  dan me lief is. Maar daar staan weer veel dingen tegenover die ik goed kan. Dus.
Ter zake. Onze jongste zoon wilde vuurwerk afsteken. En hij liet zich niet meer afschepen met sterretjes . Dus togen wij op doorreis naar een dorpse Gamma alwaar wij twaalf (12) vuurpijlen kochten, inclusief drie (3) aansteek-lonten, één (1) vuurpijllanceerplatform en drie (3) vuurwerkbrillen.
En om middernacht verschenen wij als stoere MythBusters voorbereid op explosieve experimenten gebrild op straat.
We leven nog.

31 december 

Oliebollenblues

Teveel gebulder
Teveel gezeur
Teveel gepieker
Teveel  geleur

Teveel grote woorden
Teveel grof geweld
Teveel grimmig uitzicht
Teveel besmet geld

Teveel honger
Teveel pijn
Teveel oorlog
Teveel chagrijn

Genoeg hoop
Genoeg kansen
Genoeg liefde
Genoeg mensen

Ik bel naar huis waar ik iemand thuis weet die op dat moment de kat aandacht geeft.
We zijn immers al vijf dagen van huis. En ondanks dat ze zeggen dat katten zich niet aan mensen hechten, die van ons weet beter. Er wordt te laat opgenomen en mijn stem klinkt uit het antwoordapparaat.  ´En weet je wat Ginny deed: ze liep naar het apparaat en hield haar kopje schuin alsof ze je stem herkende.’
Altijd fijn als er naar je geluisterd wordt.

25 december  

Kerstimpressie

Gekus, gegil, geren, geschuifel, koffie met kerststol.
Gekeuvel, gegrinnik, geplaag, gezellig, gepuzzel, glühwein.
Frisse neus, leeg dorp, stille straten, levende kerststal.
´Kijk een fazant!´  ´Waarom zijn hier geen winkels open?’ Watertoren, kinderen weg. ‘Boe’.
Stokbrood, garnalen, vegetarische voorgerechtjes, en ‘vooruit, kies nog maar iets lekkers uit de kerstboom.’
‘Wij hebben nummer 24 al!’ ‘Leg eens uit?’ ‘Hij is wel moeilijk dit jaar.’
‘Nee, we gaan niet samen wonen, op onze leeftijd, nee zeg. Gewoon, vriendschap met een kusje.’
‘We gaan naar het strand jongens.’ ‘Ik wil op de fiets.’
Frisse neus (2), Badweg, strand, wind, zee, duinen, voetballen, lopen in stilte. ‘Ameland is mooier, daar hebben ze speelhallen.’ ‘Wat boffen we met het weer.’
‘Eerst de kinderen. Die oven is wel klein, kunnen we de aandappels niet beter in de koekenpan doen?Ze zijn scherp zeggen de kinderen. Pas op, dit is heet, even aan de kant, laat ons maar even, ga toch zitten. Is er nog een stoel? Nee, nu even niet, vraag maar aan je andere moeder. Nee, niet nog meer zoetigheid, zitten! Waarom koop ik cola light als niemand het drinkt? Die lofschotel is weer goed dit jaar. Zijn er nog peertjes? Jammer van die bodem maar verder is hij lekker hoor.’
Gehang, geteken, gegaap, gegil. Alles donker, oma vertelt een spookverhaal. ‘We doen Idols, en oma is jury. Doe jullie ook mee? Nee, ik mag niet op de DS als er visite is.’
Nog anderhalf uur voor de boot gaat. ‘O, het toetje moet nog. Is ie weer goed gelukt? Zoet zeg. Een pond suiker?? Is er nog meer taart? Nu al op? Wie moet er nog plassen. Hebben we alles? Kom, de bus wacht niet. Ach, we wachten toch samen, hij komt al over 20 minuten. Daar is ie. Dag en bedankt, het was gezellig. Goede reis. Niet meerennen met die bus!
Wat is het stil.’

Calvinistisch groot gebracht worden betekent een gevoeligheid voor schuldgevoel ontwikkelen. Zo ken ik heimelijke genoegens die eigenlijk niet mogen. Oftewel not done, zoals de Engelsen zo fraai zeggen.Wat voorbeelden: overdag televisie kijken, chips eten met een dipsaus ook nog, roddelbladen lezen bij de kapper of elders waardoor het nog een graadje erger lijkt.
Ik kan nu weer eentje toevoegen aan de lijst: het aanschaffen van appels, echte appels om op te eten, waarop in de schil Merry Christmas geschreven staat. Drie kocht ik er en ze staan te pronken op de schoorsteenmantel in ons huurhuisje op Schiermonnikoog.
Mijn visie: als je kunt genieten van een heimelijk genoegen dat eigenlijk not done is wordt de zonde sowieso weggewist.
En zeker met Kerst.

Sommige taalvondsten van tekstkunstenaars blijven voor altijd hangen in je hoofd en nestelen zich als vetrolletjes die nooit verdwijnen, hoe vaak je ook naar de sportschool gaat. Vooropgesteld dat je dit ooit zou overwegen.
Kicks voor niks van Koot en Bie is daar een goed voorbeeld van. Een vaak gebezigde uitspraak bij het genoeglijk uitoefenen van activiteiten als: witte besjes pletten met je voet, glijden door een hoop herfstbladeren of het kapotknappen van inpakbubbelplastic.
Vandaag leerde ik een nieuwe kick. (Familie altijd blijven koesteren.) Mijn mobieltje blijkt een zaklantaarn te bevatten en nu wandel ik vol trots op de donkerste plek van Nederland met mijn eigen lampje altijd bij me.

 
Al neem ik me ieder jaar stellig voor dat het me dit jaar zeker niet zal overvallen, het is sterker dan ikzelf. Het overspoelt me als een plotseling ijskoude douchebeurt vanwege een onnadenkende huisgenoot.
Decemberstress.
Eigenlijk begint het al op 1 december met de voorbereiding voor Sinterklaas. Een feest waar ik heel goed zonder kan leven ware het niet dat hier door de jongste bewoner thuis anders over gedacht wordt.  Diezelfde persoon heeft daarnaast ook nog de leeftijd dat het vieren van een verjaardag het hoogtepunt van het jaar is en niet een dag waarop je denkt aan rimpels, aftakeling en aftellen.
En hij kan er toch ook niets aan doen dat zijn moeder een hekel heeft aan verjaardagen in combinatie met een heftige decemberallergie? Dus schouders onder kinderpartijtjes, grote- mensenvisites, schooltractaties, ultieme verjaardagscadeaus-expeditities.
Je vraagt je wel af welke voorzienigheid er voor gezorgd heeft dat zo iemand twee kinderen baart in december en zelf op 3e kerstdag geboren is. Strompelend  sleep ik me door de decemberdagen.
Dat mijn eigen verjaardag  slechts zelden gevierd wordt is natuurlijk geen verrassing meer. Na de sociaal bewogen kerstdagen  houd ik doorgaans een winterslaap om nog een keer te kunnen vlammen – nou ja, zachtjes opflikkeren is misschien een beter gekozen beeld – op de laatste dag van het jaar en de bijbehorende nieuwjaarsrecepties. Om als goed voornemen voor het komende jaar te besluiten om, heus, echt, zonder enige twijfel, me niet langer te laten meeslepen door decemberstress.

Waar het woord ineens vandaan kwam? Geen idee. 
Maar opeens is iedereen bezig met een battle. Een battle tijdens een zangcompetitie, een battle tegen kanker of eetverslaving. Alsof je een grotere overwinning hebt te behalen, stoerder bezig bent wanneer je een battle voert in plaats van een strijd. Is het de tijdgeest die maakt dat we dat nodig hebben ? Onszelf kunnen zien als helden  in weinig heroïsche tijden? En waarom bekt een Engels woord dan zoveel beter dan onze moerstaal? Crazy word je ervan.
Vragen te over om al malend over na te denken bij het wegwerken van achterstallig suikergoed en marsepein.

In de rij voor de koffie toonbank ontwaar ik met een brok in de keel ineens de hier niet zo bekende wit geglazuurde cheesecake. En muffins en brownies. Voor even waande ik me weer in Californië.
Blijk ik me ineens in de nieuwe Starbucks te bevinden. Vandaar. En jammer genoeg.
Alhoewel een kritische geest duizenden redenen kan verzinnen waarom een grootmacht als Amerika een te vermijden reis- en woondoel is, mij omsloot het liefdevol als een warme handschoen. In geen ander land voelde ik me zo ogenblikkelijk op mijn plek, zo comfortabel verwelkomd door mens en cultuur. En natuurlijk natuur.
Zomaar ergens in je eentje koffiedrinken bijvoorbeeld, met een krant of een schrijfschrift. Of het genot van overdag  een bijzondere film zien, in Nederland bijna een unicum. Al lukte het me afgelopen zaterdag. Om 1 uur ’s middags zat ik helemaal alleen in een bioscoopzaal. Overdag, net als toen, maar dan zonder popcorn.
Een betere voorbereiding op het schrijven van mijn eerste scenariotekst kan ik niet bedenken.

9 december Vandaag werd mijn eerstgeboren zoon 21 jaar.
Een moment om even bij stil te staan.
Om bijvoorbeeld te mijmeren over de loeizware bevalling: na 3 dagen weeën alsnog halsoverkop naar het ziekenhuis, horizontaal op een ziekenhuisbed platgespoten een kind eruit poepen. En dat na het lezen van duizenden boeken over romantische , verticale thuisbevallingen op eigen kracht, onder het genot van een rustgevend muziekje en geurkaarsjes. Maar het resultaat mocht er uiteindelijk wezen.
En ook nu nog, ondanks generatiekloof aangevende, tijdgeest-lichaamsverminkingen.
# trots op mijn grote zoon!

Trouw nooit een wetenschapper. Die lezen namelijk wel altijd de wetenschapsbijlage in de uitpuilende weekendkrant en brengen je dan vervolgens enthousiast op de hoogte van nieuwsfeitjes waar je heel goed zonder had gekund.
Bijvoorbeeld dat je een veel grotere kans hebt om dood te gaan in het verkeer dan om neer te storten met een vliegtuig. Fijn om te weten als je eens per jaar vliegt en een dagelijkse verkeersdeelnemer bent. Of wat te denken van de risico´s van narcoses en het pleidooi  voor het vermijden van onnodige operaties. Wist je dat iedere operatie van welke aard dan ook enorme risico´s met zich mee kan brengen?
Ik wel.
Ik ben dan ook erg blij zo goed geïnformeerd te zijn nu ik binnenkort een operatie moet ondergaan.

Tussen de buien door een boodschap doen op de fiets. Dat had ik voor ogen toen ik plots overvallen werd door een enorme hagelbui. Alsof de hemel werd opengetrokken kwam een waterval van korrels naar beneden. Ik haastte me naar het fietserstunneltje onder het spoorviaduct. Al  gauw stond ik daar niet meer alleen. Van beide kanten kwamen fietsers aangesneld die even stopten om te schuilen. Niemand zei iets, iedereen keek gelaten in gedachten verzonken voor zich uit. We luisterden naar het tikken van de hagel, de  juichende en gewoon doorspelende kinderen op het nabijgelegen schoolplein en het ophalen van snuivende natte neuzen.
Toen stopte de hagel en fietste één van ons weg, weldra gevolgd door de rest.

Grappig dat flarden tekst diverse associaties oproepen op verschillende periodes in het jaar.
´Ik denk dat ik weet wat iedereen heeft bij ons thuis,´ hoorde ik op de zaterdag voor Sinterklaas een moederlijk uitziende vrouw zeggen.
Ogenblikkelijk zag ik een scene voor me van een gezin met pubers dat lootjes trekt uit zo´n vreselijke Unox rookworst muts. Aan de hand van de verveelde of gepijnigde gezichtsuitdrukking heeft deze  invoelende vrouw kunnen deduceren wie welke persoon getrokken heeft.
Al kan het natuurlijk ook heel anders geïnterpreteerd worden. In een land en tijd waarin niemand zijn hand meer omdraait voor een uitdrukking als: ik weet niet als ik op tijd kom, waarbij het woord of per abuis vervangen is door het woordje als, is alles mogelijk. Deze alwetende moeder weet natuurlijk precies welke spullen ieder gezinslid al heeft en kan daarom een goede aankoop doen. Aan de andere kant kunnen ze natuurlijk ook allemaal een ziekte onder de leden hebben.
Enfin, waar je je al niet mee bezig kunt houden. En dat terwijl ik nog geen  Sinterklaasgedicht af heb.

Iedere keer als ik naar school fietste viel het me op. De gigantische witte pompoen, als een reusachtige rijpe pukkel prijkend op de terrastafel van een café-restaurant. Een opvallend sierobject, vermoedelijk uitgestald om gasten te trekken , met een knipoog naar Halloween en Sint Maarten.
Zo groot zag ik ze eerder alleen in het oranje.
Na een aantal weken viel me op dat de pompoen leek te krimpen. Elke week leek ie letterlijk uitgedijd en lager. Hij begon te rotten aan de onderkant. Waarschijnlijk minder sterk dan zijn oranje soortgenoot. Dinsdag zag ik hem opnieuw, als vuil afgedankt en gedeponeerd langs de stoeprand. Ongeveer de helft van zijn oorspronkelijke grootte. Verder fietsend peinsde ik over het afvoeren van zo’n gevaarte.
De volgende dag kwam ik weer voorbij. Wachtend op het stoplicht werd mijn nieuwsgierigheid bevredigd. Een vuilnisauto met open laadbak stopte. Drie grote brede mannen met dito werkhandschoenen stapten uit om dit klusje even te klaren. Gedrieën tilden ze de zware pompoen. Even zo snel lieten ze de pompoen of wat daar van over was weer vallen. Onder de schil bleek het een grote draderige en slijmerige massa. Als een drilpudding stortte de pompoen ter aarde.  De chauffeur trok zijn handschoenen uit en deponeerde ze in de afvalbak.
De mannen liepen naar voren en reden weg, de pompoenmassa achterlatend.

In ons huis woont een roodharige poes met een neurose.
Deze in het dagelijkse leven doodnormale, lieve en speelse poes verandert in een wildverscheurend beest zodra een touwtje zichtbaar wordt. Het liefst een touwtje dat door een willekeurige bewoner in huis wordt rondbewogen.  En als die willekeurige bewoner daar geen aanstalten toe maakt ziet ze er geen poot in om een van de vele, speciaal voor haar vervaardigde speeltjes met  vastgeknoopte touwtjes  voor zijn of haar neus te leggen.
Spelen, en nu snel.
En dat doen wij dan natuurlijk braaf. Een vervelende bijkomstigheid is dat in ons huishouden regelmatig iets genaaid moet worden.
Voor deze reparaties  zijn wij gewoon draadjes te gebruiken. Inmiddels hebben wij ons aangeleerd alleen reparaties uit te voeren wanneer de kat afwezig is of slaapt. Helaas heeft zij sinds kort een zevende zintuig ontwikkeld. Zodra de naaidoos tevoorschijn komt, zelfs met de deksel er nog op, springt zij spinnend en ronkend op en doet alles om bij het touwtje te komen. Zie dan maar eens een draad door de naald te krijgen.
Gisteren was zij in een diepe slaap verzonken dus ik zag mijn kans schoon. Voorzichtig opende ik de deur van de kast waar de naaimand staat. Meteen een enorme Pavlov-reactie in de vorm van een lodderig open gaand oog. En terwijl ik alleen nog maar mijn rechterarm in de kast liet verdwijnen sprong zij al van de stoel. Ik zag maar van het klusje af.
Kijk dus niet raar op wanneer je ons vanaf nu regelmatig ziet verschijnen met gaten in onze kledij.

Een maandagochtend net na de spits.
Ik rijd richting het westen de snelweg op.  Als altijd vraag ik me af waarom het fijner is naar Friesland te rijden dan naar Groningen. Is het omdat wij Groningers vaker de weg naar Zwolle kiezen wanneer we afzakken naar het zuiden? Die route kan ik inmiddels immers met de ogen dicht afleggen, al wordt mij dat steevast  verboden door bijrijders. Of is het omdat het in Friesland groener lijkt? Rustiger, met veel meer groen aan beide zijden van de weg.
De zon spiegelt een meertje. Mijn ogen worden als vanzelf getrokken naar witte vlekken op het water. Vreemd, het heeft toch niet gevroren?  Dan zie ik de oplossing van het mysterie. 
Zwanen, wel zeven witte zwanen zwemmen sierlijk majestueus in het water.
En dan te bedenken dat dit me waarschijnlijk ontgaan was als de 130 kilometer-manie al was ingevoerd.

´Kun je niet een keer iets schrijven over middagmensen?
Een willekeurige vraag van een – naar eigen zeggen- prototype van een middagmens met wie ik al meer dan 18 jaar samenwoon. Een middagmens – ik had er nog nooit van gehoord –is iemand die biologisch gezien het meest tot zijn recht komt in de middaguren.
Verbijsterend nieuws vond ik het, want vraagstelster springt dagelijks uit bed zodra de wekker gaat, draait haar hand niet om voor werkweken van zeventig uur en beantwoordt zonder enig probleem tien werkmailtjes om elf uur ‘s avonds. Ikzelf vind dan het woord workaholic meer op zijn plaats, of, vooruit dan maar, alledagdelenmens.
Desgevraagd en geconfronteerd met bovenstaande feiten claimt zij nu de status van middagmens met uitloop. Als ochtendmens in hart en nieren vind ik het allemaal best, als ik maar op tijd naar bed kan. En nee, sorry, ik kan niets zinnigs schrijven over middagmensen.

 

Zomaar een willekeurige wachtruimte.
Mensen staren in gedachten verzonken voor zich uit, kijken af en toe verveeld op hun horloge, bladeren lusteloos in een beduimeld tijdschrift of tikken wat op een mobieltje. Dan verschijnt plotseling een piepjong mensje dat net heeft leren lopen. Waggelend en wiebelend als een pasgeboren kalfje stapt ze vooruit, met een lach waarin de lente doorbreekt de wereld vol trots haar kunsten vertonend.
En voor een moment lijkt alles een beetje op te lichten.

Zonnig nieuws.
Vandaag las ik in de krant over het Noord-Italiaanse bergdorpje Viganelle. Dit piepkleine gehuchtje ligt ingeklemd tussen de Alpen en kent daarom jaarlijks maar liefst 83 winterdagen lang geen daglicht. Totdat de slimme burgemeester van het dorp er iets op vond. Hij plaatste een gigantische spiegel aan de overkant op een helling en zie daar: er was licht. En zon.
Momenteel ben ik  in onderhandeling over de plaatsing van een spiegel in Menlo Park, Californië, gericht op de universiteitsstad Groningen.  Ik houd de vorderingen bij in dit blog.

 

Gisteren kookte ik pompoensoep, zoals ik vaker doe op 11 november. Vanwege de associatie met Halloween denk ik, en uit praktisch oogpunt. Het ongedwongen karakter van soep eten past bij het af en aan naar de deur moeten lopen om naar liedjes over koeienstaarten te luisteren.
Pompoensoep is heerlijk om te eten maar tijdrovend om te maken, al zie je dat niet af aan het eindresultaat. Om die reden kook ik het eigenlijk alleen als ik goed in mijn vel  zit. Het is dus een uitstekende indicator voor mijn gemoedstoestand. Vragen hoe het met me gaat? Compleet overbodig.
´Nog pompoensoep gekookt de laatste tijd?’
´Al maanden niet meer.´
´Ach meid, ik wist niet dat het zo erg was met je. ´
Wij aten de afgelopen weken al een aantal keren pompoensoep, dank voor je belangstelling.

Leukste nieuwsfeit van vandaag:
11 november is de dag
dat de dyslecticus lezen mag.
Vol bewondering over zoveel inventiviteit las ik vanmorgen het bericht in de krant over een woordblinde grafisch vormgever die een dyslexie-vriendelijke letter ontwikkelde. Woordblinden maken aanzienlijk minder fouten in teksten die gezet zijn in dit lettertype.  
Wat maar weer pleit voor het – waar dat van toepasssing is – altijd betrekken van ervaringsdeskundigen bij op te lossen problemen.

Met een stofzuigerslang zonder zuigmond sta ik naast het Onderdelenhuis wanneer mijn aandacht getrokken wordt door een wild geraas. En dat terwijl de jaarlijks intocht nog niet eens geweest is. Een gigantische graafmachine sloopt een oud schoolgebouw in de Violenstraat. Enorme grijparmen vagen met dinosaurusachtige schepbekken laag na laag een gebouw vol  geschiedenis van de kaart. Lappen isolatievulling hangen als mislukte slingers in de opengebroken ruimte. Een dichtgemetselde poort is zichtbaar geworden, evenals oude grijs-rood uitgeslagen bakstenen. Weemoedig kijk ik naar de zorgvuldig gemetselde sierpatroontjes in de nog rechtop staande muur, de prachtige grote ramen in Amsterdamse Schoolstijl.
Mag je treuren om het verlies van zo’n stukje stad als je daar anders zonder er verder aandacht aan te schenken langs fietst en zelf in een nieuwbouwhuis woont?

De seconden worden minuten, de irritatie neemt toe. Er is slechts een beperkt aantal klussen af te handelen met maar één  hand en mijn haren zijn inmiddels droog.
En verder nog: de zeggingskracht van de iedere dertig seconden geuite belofte verliest zijn geruststellende impact naarmate de tijd verstrijkt: ´een moment geduld alstublieft, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen.´

Met een klap valt het brandganghek achter me in het slot. Ik fiets langs het achter terrein en voorbij  de geparkeerde auto´s de straat in. De deur van de zonnestudio is nog open.  Aan het eind van de straat de ruisende bomen van het plantsoen. Ik sla linksaf bij de vijver aan de Grachtstraat. De geur van vers gemaaid gras komt me tegemoet van de wallekant. Ik kijk naar de losse sprietjes op een groene onderlaag. Dan zie ik haar. Meteen sta ik op de rem en draai me om. Het zal toch niet? Zo ver is ze nog nooit van huis geweest. Die spitse oortjes, dat ranke rossige lijfje, de gestreepte staart. Ik maak een klakgeluidje en ze draait zich om. Vreemde ogen kijken me verstoord aan. En dan herinner ik me hoe ik Ginny achterliet, ineen gekruld slapend op het vloerkleed onder de salontafel.

Wij bezitten thuis een poes die op een hond lijkt. Ze snelt achter weggemikte proppen papier aan en voetbalt ermee door de kamer. Ze schuift met haar pootjes haar favoriete speeltje – een zeehondknuffel met een lang draadtouwtje om de nek – in onze richting om aan te geven dat er gespeeld moet worden. En dat doen we braaf. Door de zeehond hoog te houden bungelt het draadje in de lucht en kan Ginny zich helemaal uitleven op het touwtje. We geven haar maar haar zin, het blijft tenslotte toch een poes. Poezen zijn nu eenmaal de baas over mensen, daar kun je je maar beter bij neerleggen. Of anders een hond nemen.

Herfstwandeling in het Noorderplantsoen dat getooid is in herfstkleuren. Meer is niet nodig voor het opkrikken van een slecht humeur of verjagen van een dipje.  En wat fijn dat het bijna niet waait zodat we er dit jaar nog langer van kunnen genieten dan andere jaren. De gebruikelijke warme kleuren in deze periode van het jaar worden als een pronkstuk in een museum extra benadrukt door het zonlicht. Alle tinten in herfstkleur harmonie. Totdat ineens een spierwitte verschijning  in vol ornaat het plaatje verstoord.
Trouwen, prima hoor, maar kies dan een ander seizoen.

 

 

 

 

 

Boven op zolder, in de witte muurkast die slechts sluit met een versleten douchegordijn, liggen mijn vakantielaarzen. Stevige, bruin leren stappers zijn het die alleen dienst doen tijdens vrije dagen waar zeewater en schurend zand aan zet zijn. Als daagse schoen werden ze tijden terug al bedankt voor bewezen diensten. Ze oogden te plomp, te vaal en de rechterschoen leed aan hetzelfde euvel als veel van mijn schoenen: de grote teen wiebelt zich van binnenuit een weg naar buiten waardoor bovenop een bobbeltje ontstaat. Als afgetobde circuspaarden op een kinderboerderij zitten ze hun tijd uit totdat heel af en toe het douchegordijn opzij schuift en ze met knipperende ogen het daglicht aanschouwen. Gisteren was het weer eens zo ver. Ik trok ze uit hun verstop hoek en poetste ze nog wat op om al hun onvolkomenheden te verbloemen. Toen trokken we er samen op uit, mijn schoenen en ik. Met de auto, de boot en de bus en het laatste stukje met de benen. Moe van de reis strompelden we het huurhuisje binnen, waar ik mijn trouwe dragers meteen verloste van hun zweterige inhoud. Links de rits open, rechts de rits … Waar zit rechts de rits? Vertwijfeld kijk ik naar omlaag om te ontdekken dat ik twee verschillende schoenen aan heb.

 

oktober

Een van de meest onderschatte schatkamers van de moderne mens is toch wel die van de Openbare Bibliotheek. Op het gevaar af nu voor ouderwets te worden versleten natuurlijk. Want ja, wie leest er nog tegenwoordig? Slechts oudere vrouwen komen af op de talrijke leesclubs en auteursvoordrachten, tenminste als ik de mensen die dat kunnen weten mag geloven. Anderen lezen alleen nog via de computer of mobiel en meer dan honderveertig tekens per sessie kunnen ze blijkbaar niet hanteren. Blijmoedig accepteer ik echter mijn fossiele status en begeef ik me regelmatig naar die grote schatkamer.

Iedere keer overvalt me een luxegevoel als ik de bibliotheek betreed. Wat zal ik nu weer eens meenemen? Over welk onderwerp wil ik me nu weer eens buigen? Soms zoek ik gericht via de computer naar een boek. Andere keren ben ik meer van het neuzen en snuffel ik me een weg tussen de verleidingen die in lange rijen voor me staan uitgestald. Ik kan een gevoel van triomfantelijkheid nooit onderdrukken wanneer ik een door mij begeerd en gereserveerd boek kom afhalen. Aan de hand van mijn ooit gelezen boekenlijst lukt het een vreemde als vanzelfsprekend zich een beeld te vormen over mijn leven.

Een ander voordeel van de bibliotheek is de weldadige stilte. Waar vind je in de stad nog een openbare ruimte waar het relatief stil is? Waar je aan in het gelid staande lange rijen tafeltjes rusitig kunt lezen of schrijven of domweg wegmijmeren in stilte?

 

 

 

 

 

 

Zingen kan bijna altijd en overal. Onder de douche is bijvoorbeeld een uitstekende mogelijkheid. Het is daarbij aanbevelenswaardig lekker ruikend doucheschuim te gebruiken. Probeer het eens, het ondersteunt werkelijk bij het uit volle borst uitstieten van je toon. Al die welluidende klanken, zich vermengend met stoomwolken en schuimend zeepsop maken schoner schip dan ooit.

Op de fiets zingen is ook een aanrader, de buitenlucht schenkt het timbre iets aards en winderigs. Probeer dat overigens wel zonder familieleden, met name zonder die van zeer jong origine. Hoe vaak ik niet geblokkeerd ben tijdens het zingend fietsen/fietsend zingen door een beschaamd sissend: ‘mama, stop!’ En dan deed ik nog niet eens of ik plots op een brommer reed, met zo’n lekkere handdraai om het stuur en zo’n kek heng, henggeluid.

Toch is de allerhelenste vorm van zingen die van de samenzang. Niet voor niets al eeuwenlang in religies toegepast. Meerstemmig zingen maakt dat je eigen stem ineens prachtig klinkt, ingebed tussen andere klankkleuren en tintelend harmonieuze tonen. Jouw eigen geluid komt tot leven en het leven daarmee als een vrolijke boemerang naar jou.

en drogers, met speciale muntjes te bedienen. Het rook er altijd heerlijk en ik vond het een fijne plek om te vertoeven. Vanwege de gemoedelijke sfeer die er hing, met de antiek ogende wringers, de lavetten waarin je een babyolifant kon baden en de ouderwetse houten droogrekken. Ideaal voor het wassen van slaapzakken en dekbedden. Toch ben ik nu blij dat ik mijn eigen wasruimte heb en kan wassen wanneer ik dat wil.

17 april 2012
Mensen uit mijn omgeving opgelet: als je niet van koek houdt, probeer dan vooral contact met mij te vermijden. Want ik moet koek kwijt, veel koek, maar dan wel de enige echte Groningse koek van Knol.
Waarom koop je dan zoveel koek, hoor ik iemand opperen. Goede vraag. Ter ondersteuning van de voetbalclub van mijn jongste zoon is dan het correcte antwoord. De jaarlijkse koekactie is weer daar en als liefhebbende ouder doe je natuurlijk alles voor het behoud van de club. Zo sta ik – voetbalhater sinds mensenheugenis – komende zaterdag koffie te schenken in de kantine onder het motto: alles beter dan langs de lijn staan. Je doet wat je kunt tenslotte.
De geur van al die duizend koeken in onze kleine keuken bracht me terug naar mijn eerste echte woning in de wijk Kostverloren, onder de rook van de Suikerfabriek en de koekfabriek van Knols.
De Suikerfabriek is grotendeels verdwenen uit Stad en de fabriek van Knols koek is onlangs opgegaan in vuur, maar in de tijd dat ik er woonde stonden ze beiden nog pal. Regelmatig ging ik bij Knols koekfabriek langs, aangetrokken door de immer verleidelijke geur van pasgebakken koek, die als een rattenvanger van Hamelen rondwaarde in de buurt. In het kleine verkooppunt in de hal van de fabriek zag ik de nog warme koeken op grote bakplaten liggen. Omdat ik weinig geld had in die tijd, kocht ik altijd de goedkope kantkoek. In grote, slordig gescheurde brokken lagen ze te wachten op kopers, vol van vet en suiker, dus heerlijk. De kantkoek omlijstte de echte koeken op het bakblik, beurtelings gevuld met rozijnen, noten, chocola, gember en sukade (Groningerkoek) of anijs (Oudewijvenkoek).

Inmiddels verleid? Kom vooral bij me langs voor een heerlijk stuk koek.

15 april 2012
Struinend door de Slegte stuitte ik op een kogelrond boek over de honderd grootste taboes, getiteld: Taboe, 100 gevoelens waar Nederlanders zich voor schamen. Het boek was al een jaar of vijf oud, dus mogelijk zijn er inmiddels veel nieuwe bijgekomen, maar ik waagde me toch maar aan een kijkje. Intrigerend kost. Zo blijkt het een groot taboe te zijn wanneer je geen handen wast na het poepen. Mij lijkt het alleen maar erg smerig en onhygiënisch, maar alla.
Heel veel taboes handelen over seksuele onderwerpen in alle soorten en maten en die laat ik graag aan jullie verbeelding over. Maar wat te denken van het taboe van een oudere vrouw met een jongere minnaar? Terwijl het andersom geen taboe is, sterker nog, de man in midlifecrisis die aan een tweede leg begint met een twintig jaar jongere vrouw lijkt wel een hype.
Of het taboe je partner dom te vinden, en je kinderen niet allemaal even leuk. Als dit op jou slaat, wees dan gerust. Je bent niet de enige. Eigenlijk is de aanschaf van dit boek een must voor alle mensen die met schuldgevoelens rondlopen omdat ze niet perfect zijn. Laat los, koop voor slechts € 3,99 dit bevrijdende boek bij de Slegte!

13 april 2012
Mijn zoon verheugde zich er op: de fiets moest mee vandaag want hij mocht weer met zijn klas naar de schooltuintjes. Vandaag was extra leuk omdat zijn moeder meeging ter ondersteuning, samen met twee andere moeders. Als gedweeë rekruten meldden wij ons in het klaslokaal waar we een knaloranje veiligheidshesje kregen uitgereikt. Even later vertrokken we: in colonne, als een lange oranje sliert fietsend door de stad. Omstanders behandelden ons als een begrafenisstoet. Ze stopten midden op een kruispunt en lieten ons voorgaan, zelfs al hadden ze voorrang. Voor eventjes geen haast in de ochtendspits, maar vertederde blikken en een moment van respijt. Misschien even een gedachte aan vroeger,toen ze zelf zo fietsten met de juf?
Aangekomen bij de schooltuintjes stond de schooltuinman (in een vorig leven waarschijnlijk militair) ze al op te wachten. Hij had de wind er goed onder en schreeuwde vriendelijk zijn bevelen, die blijmoedig en zonder enig gemor werden opgevolgd. Mogelijk dat hij ook thuis is in te huren?
Elk lapje grond lag als een dikke chocoladereep in gelid te wachten op zijn eigen tuinier. Er werd geharkt, onkruid getrokken en geplant. Met de tong uit de mond werd een hark in de grond geduwd, om daarna langs de stengel met kaarsrechte precisie vingerronde gaten te maken. Even later gingen daar ui-bolletjes in, rode en witte. Iets verderop klonk een rikketikgeluid. De oud-militair wees in de lucht en 26 paar stadskinderogen blikten verwachtingsvol richting de hoge boom waarin zich een specht bevond. Hopelijk worden de stadstuintjes gespaard bij de Catshuis bezuinigingsronde.

11 april 2012
Ik stond bij de betere banketbakker taartjes te bestellen voor het 50-jarig huwelijk van mijn ouders, toen ik het me ineens afvroeg. Hoe doen ze dat toch, zo’n lange tijd bij elkaar blijven? Waarom lukt het mensen uit vorige generaties zo veel beter om op jonge leeftijd een partner kiezen en die voor het leven aan zich te binden?
Als ik om me heen kijk, lijkt dat iets dat mijn generatie en de generatie die na mij kwam verleerd is.
Zou de voortschrijdende emancipatie van vrouwen van de laatste decennia een rol spelen? In de generatie van mijn ouders verdienden de mannen doorgaans de kost – wie is toch die man die op zondag het vlees snijdt? – en ontwikkelden de vrouwen zich tot huisvrouw en moeder.
Of de Tweede Feministische Golf in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw? Met hun pleidooi voor economische zelfstandigheid van vrouwen, een eerlijkere verdeling van huishoudelijke- en zorgtaken, een gelijkwaardigere positie in de maatschappij?
Stand by your man, zong Tammy Wynette al eens in een lied uit 1968. Sometimes it’s hard to be a woman, but if you love him, you’ll forgive him, ‘cause after all he’s just a man. Een wel heel intrigerende visie op het huwelijk en de verschillen tussen mannen en vrouwen.

De generaties van na mijn ouders leerden steeds beter om zelf keuzes te maken. Onze maatschappij individualiseerde in rap tempo. Als mensen zich meer ontwikkelen en ontplooien, breder en kritischer kijken naar maatschappelijke patronen en gewoontes, dan doen ze dat vast ook in hun eigen huwelijk of relatie. En worden ze wellicht een No man’s wife, zoals dertiger Anouk dat zo fijntjes verwoord. I’m sorry for the times that I made you scream, for the times I made you cry, told you lies. What goes around comes around you’ll see. Niet meer achter je man gaan staan wat er ook gebeurt, zoals onze moeders deden, en Tammy Wynette betoogt, maar voor jezelf en je eigen toekomst kiezen. Sterker nog, met gelijke munt terugbetalen. Nee, daar red je geen huwelijk mee.
Vandaag vieren we officieel de 50-jarige trouwdag van mijn ouders. Twee dagen te vroeg, omdat hun droomlocatie vrijdag 13 april al geboekt was. Wat jammer is, want nu kan mijn moeder niet zoals altijd zeggen: ‘ Ik ben op vrijdag de 13e getrouwd, maar nog steeds gelukkig.’
Daarom doe ik dat nu maar voor haar.

9 april 2012
Sinds kort gebruik ik af en toe doucheschuim en bodycream van een zeer luxueus merk. Zo’n merk van een concept, waarmee de hele winkel is doorspekt en ingericht en de verkoopsters zijn afgericht om een rituele beleving te verkopen. Je slaat dus geen doucheschuim in, maar een zintuiglijke ervaring.
Nou zou het fijn zijn als zo’n luxeproduct niet veel zou verschillen van de gewoonlijke – vijf keer goedkopere – aanschaf. Helaas is dat niet het geval. Het spul is gewoon geweldig, het smeert beter, schuimt rijkelijk, voelt zachter en geurt goddelijk.
Helaas, hoewel ik er niet failliet aan zou gaan, kan ik het toch niet over mijn hart verkrijgen om het zo maar voor mezelf aan te schaffen. Zoveel geld uit geven aan een dagelijks verzorgingsproduct is me toch te gortig, want te decadent. En dat terwijl ik de oorlog niet eens heb meegemaakt.
Rond mijn verjaardag grijp ik mijn kans en staat zo’n luxebeleving steevast op mijn verlanglijstje. Vervolgens probeer ik dan zo lang mogelijk te doen met een fles schuim. Dat gaat wel eens jammerlijk mis. Omdat ze de opening van de fles zo situeren dat ik de helft op het douchegordijn spuit bijvoorbeeld. Of omdat Wouter ontdekte hoe een scheutje douchegel in luttelijke seconden transformeert tot een dikke schuimlaag. Mijn kostbare fles leeggespoten in één douchebeurt.
Onlangs kreeg ik bij een afscheid een bon voor het schuimparadijs en geniet ik weer, met volle teugen en alle zintuigen. En een kind onder curatele.

7 april 2012
Vandaag was zo’n dag die als zand tussen mijn vingers wegglipte.
Zo’n dag waarop je vlak voor het slapen gaan terug kijkt, en denkt: ‘ wat heb ik in vredesnaam gedaan vandaag?’ Niet dat ik de hele dag uit mijn neus gegeten heb, juist niet. Maar het was wel zo’n dag waarop door het doen van duizenden kleine klusjes de grote lijn een beetje zoekt raakte. Alsof je honderden puzzelstukjes legt in een puzzel waarvan je het voorbeeld kwijt bent. En niet omdat je somber bent, juist niet.
Meer alsof er van binnen een muisje zeurend knaagt. Alsof je iets vergeten bent, maar je weet niet wat. Alsof je vandaag iets groots had kunnen verrichten, de wereldvrede had kunnen bewerkstelligen, maar ja, die duizenden kleine klusje waarvan je nu al weer vergeten bent welke ook weer.
Je zou er moedeloos van worden als het niet zulk mooi weer was, en de vogeltjes niet zo luidkeels tjilpten. En ineens moet ik denken aan de spreuk die bij mijn oma op het toilet hing. Maak je geen zorgen, lukt het vandaag niet, dan lukt het morgen. Toen ik heel klein was snapte ik hem niet. Later des te beter. Nog weer later vond ik de spreuk een beetje banaal, de locatie in aanmerking genomen. En eenmaal volwassen geworden wist ik dat het soms toch echt nodig is om vandaag al je zaakjes voor elkaar te krijgen.
Maar op een dag als vandaag past oma’s spreuk als een kleurig lint om een paasei.

4 april 2012
Zoekend naar inspiratie voor dit blog kwam ik opeens een aantekening tegen die maakte terwijl ik in sluimertoestand stond te wachten op mijn koffer. Bagageband nummer vijf draaide tevergeefs in het rond; het koffer uitspuwen was nog niet begonnen. Toch viel er genoeg te zien op de draaiende schijven. Stickers uit alle windstreken, door hun oorspronkelijke eigenaar zorgvuldig op de bagage vastgeplakt teneinde hun valies straks in den vreemde eenvoudig te kunnen herkennen, hadden zich losgerukt en besloten vanaf nu te schitteren op een simpele bagageband op Schiphol.
Dial M for Miami, Het wordt alleen maar beter, Rolling Stones, Bloemencorso Lichtenvoorde. Gezellig naast elkaar, voor eeuwig draaiend, als houten paardjes in een draaimolen op de kermis.

2 april 2012
Vaak wanneer ik op fiets met mensen uit mijn omgeving krijg ik steevast te horen dat ik fiets als een bejaarde. Hierdoor raak ik overigens, ondanks mijn gevoelige natuur totaal niet van streek. Uit eigen waarneming weet ik immers hoe ik regelmatig bejaarden voorbij snel. En ik weet ook dat die opmerkingen niet echt waar zijn, wat de sprekers eigenlijk op een semi-grappige manier proberen te zeggen is dat ze vinden dat ik vreselijk langzaam fiets, afgezet tegen hun uitermate flitsende tempo. Waarvan akte. Dus is het iedere keer weer even wennen als ik een bejaarde ineens sneller voorbij zie schieten dan ik van tevoren heb ingeschat. Vaak blijkt het dan te gaan om een elektrische fiets. Ondingen zijn, die fietsen met een motortje, dacht ik altijd. Totdat ik afgelopen weekend op stap was met twee bejaarden inclusief bejaardenfiets en ik het ook eens mocht proberen. Sindsdien ben ik om. Ieder schelpenpaadje bergopwaarts nam ik als een Tour de France –rijder, zelfs met Windkracht 6 tegen. En hoezo bejaardenfiets? Geweldige fiets, uitstekend geschikt voor een slow-fietser als ik. Nu maar sparen.

30 maart 2012
Toegegeven: niet alles wat in de krant staat hoeft waar te zijn, maar ik waag het erop. Voor wie het nog niet wist: 30 maart is Nationale Pannenkoekdag. Hoewel je kunt steggelen over het feit dat zowat iedere dag inmiddels een bijzondere dag is. Dankzij de commercie ongetwijfeld, en dus moet je niet iedere speciale dag toejuichen.
Maar Pannenkoekdag vier ik van harte mee. Iedere keer als ik zit te piekeren wat ik nu weer eens moet koken, komt het eureka bij de gedachte aan pannenkoeken als manna uit de hemel. Want het is beslist geen sinecure, dat koken in een gezin bestaande uit een hardcore vegetariër en twee carnivoren waarvan één carnivoor niets eet waar vitaminen in zitten. Pannenkoeken zijn dus altijd goed. Naturel, of kaas-appel. Met suiker, stroop of maple syrup. En op deze dag de ideale oplossing wanneer er gegeten moet worden met veertien familieleden aan één lange tafel.
Lang leve pannenkoekdag! (En verwacht in vredesnaam geen blogtekst over de Week van de teek.)

28 maart 2012
Het was al weer even geleden tot mijn grote spijt, maar laatst deed ik het weer, samen zingen. Natuurlijk kun je in je eentje ook goed zingen, bij het schoonmaken of de was ophangen bijvoorbeeld. Menige inzingoefening volbracht ik tijdens het neerhangen van eindeloze hoeveelheden sokken en onderbroeken. Maar samen zingen is zoveel leuker. Het genot van je eigen stem horen klinken in samenklank met andere stemmen die op harmonieuze wijze samenvloeien tot één geheel. Je eigen klankkleur ingebed in contrasterende tonen, waardoor het net lijkt of je geweldig mooi zingt. Kicks voor niks.

27 maart 2012
En soms heeft een mens zomaar geluk en ontdekt de wetenschap iets waar je nu eens echt wat aan hebt. Ga er eens lekker voor zitten en laat dit parelnieuwtje goed tot je doordringen: van chocola eten word je slanker. Nou heb ik dat nog niet zelf mogen bespeuren, maar mogelijk moet ik mijn eetgedrag aanpassen. Ondanks dat ik al jaren – om andere dan Sonja Bakkerachtige redenen – nauwelijks suiker gebruik, neem ik af en toe na het avondeten één blokje chocola. Vanaf nu doe ik dat vanzelfsprekend vaker, wie wil er nou niet afvallen?
Natuurlijk wordt het goede nieuws gebracht met tien slagen om de arm – wetenschappers nuanceren graag – maar toch. De onderzochte mensen die iedere dag een kleine hoeveelheid chocola eten, hebben een lagere BMI dan mensen die dat niet doen. En wij vrouwen weten als geen ander hoe helend chocola kan zijn bij bijvoorbeeld PMS en sombere buien. Of eigenlijk altijd.
Eigenlijk denk ik heimelijk dat we een stofje missen, dat alleen kan worden aangevuld door het veelvuldig – met mate dus weten we nu – nuttigen van deze bruine weldadigheid. Laat ze dat nou eens onderzoeken, zodat we het in het vervolg op recept en zonder schuldgevoel kunnen afnemen. Tot die tijd ben ik blij en dankbaar voor dit geweldige wereldnieuws.

25 maart 2012
Op deze stralende zondag reed ik op een kuiertempo door het Drentse landschap. En wederom viel het me op: Drenthe zou niet bekend moeten staan om de vele hunebedden, maar om de ontelbare rotondes. Wat is het dat die Drenten toch zo graag rondjes draaien? Een hang naar vervlogen tijden toen de duizelingwekkende walsen nog bon ton waren? Een prangende behoefte aan overzichtelijkheid op de rustige landweggetjes? Of toch meer als chauvinistisch gebaar: rijd hier alstublieft in rustig tempo, zodat u goed onze prachtige provincie in zich op kunt nemen. Wat ik inderdaad deed, op deze stralende zondag in maart.
Hierbij buit ik ongegeneerd de voordelen van het hebben van een blog uit: onbekommerd reclame maken voor producten die me de afgelopen tijd zeer bekoorden. Wie goed oplet, vindt veel genietbaars. Bekijk dus vooral deel 2 van Borgen, de Deense serie over een vrouwelijke premier, maar kom niet bij me klagen over vermoeidheid omdat je te laat gaat slapen wegens het steeds maar weer bezwijken voor de volgende aflevering. En breng een bezoekje aan de betere bioscoop voor de nieuwste documentaire van Michiel van Erp, I am a woman now, over de eerste Europese en geopereerde transgendervrouwen. Tot slot: vergeet vooral niet vaak naar buiten te gaan voor de pasgeboren baby-eendjes, ontluikende bloesems en het gekwetter van de vogels. Lente!

23 maart 2012
Moest gisteren de hele dag bijkomen. Naïef misschien, maar vooraf had ik niet bedacht dat ik daar zo moe van zou worden: een ochtendje klussende mannen in huis. Gewoon me terug trekken op mijn werkkamer, deur dicht en gaan typen toch? Naïef, ik zei het al. Om de vijf minuten klonk een klop op de deur. Of ik even kwam kijken hoe hoog ie moest, dat het water eraf ging, de verwarming het nu ook echt niet meer doet hoor, dat er een schroefje onder de slaapkamerdeur door gevlogen was, en of hij het daar weer vandaan mocht halen. En ik vond die radio toch niet erg toch? ‘Nee, helemaal niet hoor’, mompel ik dan huichelachtig. Want ja, van huis uit leerde ik dat je het klussende mannen altijd naar de zin moet maken. Dus serveer ik sloten koffie met koekjes, praat ik beleefd mee over het verschil tussen wonen in de stad en op het platteland en glimlach ik semi-belangstellend als ik gewaarschuwd word voor toekomstige rampen indien ik niet op tijd zorg voor vervanging van andere nuttige apparaten en installaties. Die de klussende man in dat geval natuurlijk graag voor zijn rekening neemt. Voorlopig heb ik echter even genoeg klussende mannen gezien. Maar de badkamer is mooi geworden.

21 maart 2012
Ze schijnen slecht betaald te krijgen, maar kunnen hun werk doen op tijden die hen uitkomt. Ik heb het over werknemers die we vroeger aanduidden met de term postbodes. Vroeger bezorgden ze alles wat los en vast zit. Tegenwoordig zijn hun werkgevers ontelbare malen van naam veranderd en lijkt er voor iedere brief of pakje een andere besteller te komen. En nu blijken ze ineens gefuseerd met UPS, de Amerikaanse bezorgers in bruine kostuums, die alleen maar rechtsaf mogen slaan in hun saaie bestelbussen. Kom je wel op de plaats van bestemming wanneer je alleen maar rechtsaf mag slaan? Een vraag die me nu al de hele week bezig houdt. Enfin, tegenwoordig heten postbodes postbezorgers en slaan ze vast niet alleen maar rechtsaf, want ze kwamen bij mij thuis iets afleveren op de tijd die hun schikte.
En zo kreeg ik op een grijze maandagavond een gewatteerde envelop met daarin een ei. Een prachtig gebroken wit paasei, met frisgroene bloemblaadjes en een eigeelbloemetje erop. Een knuffelei bovendien, want geheel gebreid en met zachte materialen gevuld. Dit prachtei, door een lieve vriendin in slechts één avond in elkaar geknutseld, hangt nu als een Faberge ei te pronken aan onze grenen kamerkast.

19 maart 2012
Grommend schuift Wouter het grote bed in. Zoals ieder ochtend mag ie nog even doen, of de nieuwe dag niet net begonnen is. De wekker tien minuten eerder zetten is zo daadwerkelijk een werkdagelijks cadeautje. Maar niet op maandagmorgen. ‘Stomme dag,’ mompelt hij vanonder de dekens. Inwendig geef ik hem vanzelfsprekend volmondig gelijk, maar soepeltjes overschakelend op moederstand, begin ik desondanks een vertoog. Over het belang van contrasten tussen vrije tijd en verplichtingen en hoe je daardoor veel meer kunt genieten. Wat hij na enig nadenken schoorvoetend beaamt.
Nu de lente aanbreekt en het ’s ochtends veel lichter is, lijkt het ook makkelijker om uit bed te kruipen. Helemaal wanneer de zon zich meteen laat zien. En mijmerend bedenk ik opnieuw dat het klopt. De pieken lijken hoger wanneer je ook de dalen kent. Waarschijnlijk zijn ze feitelijk even hoog, maar je waardeert ze meer door de afwisseling.

Dit heb ik in het zonlicht overdacht,
tevreden lurkend aan mijn koffie,
domweg gelukkig, in de Kalverstraat. *

*vrij naar J.C. Bloem

17 maart 2012
Soms zijn de nieuwsfeiten in het journaal zo niet te bevatten gruwelijk, dat mijn gedachten spontaan afdwalen naar trivialere zaken. Een zeer prettige en aanbevelenswaardige vorm van zelfbescherming. Deze keer brachten ze me naar de nieuwe presentatrice van het NOS journaal, Annechien Steenhuizen. Toen ik haar naam voor de eerste keer hoorde kreeg ik een beeld voor ogen van een struise Friezin met stug-blond permanentkapsel. Het was dus even wennen om haar in het echt te zien: een exotisch-oosters ogende knappe jonge vrouw met sexy lage stem. Hoe komt iemand met zo’n uiterlijk aan zo’n naam? Daar kun je dan vervolgens lang genoeg over piekeren, zodat je zonder kleerscheuren het journaal doorkomt.

15 maart 2012
Sinds mensenheugenis ben ik verslaafd aan een televisieprogramma van de omroep die zichzelf graag omschrijft als de grootste familie van Nederland. Mijn fascinatie begon toen ik plannen maakte om een jaar in het buitenland te gaan wonen. Ter voorbereiding las en zag ik alles wat los en vast zat. Van Ik vertrek, de zeer toepasselijke naam van dit programma, leerde ik veel.
Ik vertrek kent een ijzersterke formule. In iedere aflevering figureren twee onbekende Nederlanders. Laten we ze voor het gemak Joop en Annie noemen, uit pak ‘m beet Zaandam. Joop en Annie zijn Hollanders (Hollanders ja, in plaats van Nederlanders, een zeer irritante woordgebruik-gewoonte van meestal Randstedelingen, een verschijnsel waar ik in een toekomstige column graag nog eens op terug kom) tussen de dertig en zestig jaar, al dan niet met een kluitje kinderen, die zichzelf op datingssites zouden omschrijven als gezellige en spontane mensen. Joop en Annie zijn het zat. Holland is te vol, het regent te vaak en er zijn teveel regels. Dat is vanzelfsprekend niet het geval in Het Beloofde Land. Hun droomland, doorgaans voorzien van tropisch klimaat en relaxte levenssfeer, dat Joop en Annie heel goed kennen van hun jaarlijkse vakantie met de caravan.
Een Ik vertrek uitzending verloopt volgens een weldadig vertrouwd stramien. Allereerst vertellen Joop en Annie over hun passie om te vertrekken. Een passie die doorgaans, eigenaardig genoeg, niet gepaard gaat met een gedegen voorbereiding. Wat overigens later wel weer fijne televisie oplevert.
Vervolgens nemen ze afscheid, waarbij de camera inzoomt op snikkende familieleden en vrienden. Vaste quote: ‘we gaan ze natuurlijk vreselijk missen.’
Dan vertrekken Joop en Annie, vol vertrouwen hun avontuur tegemoet. Wij kijkers leven comfortabel hangend op de bank mee met plenty problemen: de onverkoopbare woning in Zaandam, de verbouwing die maar niet af komt, de snel slinkende spaartegoeden en talrijke taalproblemen.
Hopelijk blijken Joop en Annie kinderloos, een gevoelige kijker redt het anders niet zonder zakdoeken. Een leerzaam programma, ik zei het al. Zo weten we nu dat het in Droomland misschien minder regent, maar dat ook daar regels zijn, vaak nog meer dan bij ons. En dat die relaxte levenssfeer wat tegenvalt wanneer je een afspraak gemaakt denkt te hebben. Bovendien: hoezo relaxt? Het is gewoon keihard werken. Als op een regenachtige dag mijn verlangen soms de kop opsteekt denk ik gauw aan Joop en Annie. Ach, regen is zo gek nog niet.

13 maart 2012
De lente is in aantocht. Ik roek t aan de lucht en d ’eerste holtdoef vlucht, zoals Ede Staal dat zo fenomenaal formuleert. Kort maar krachtig, dat moet wel Gronings zijn.
Het veranderende weer schudt ons wakker lijkt het wel. Ik betrap mij ineens op het schoonmaken van oppervlakten waarvan je kon vermoeden dat ze van zichzelf die kleur bezaten. En maak me druk over nooit gewassen gordijnen (niet wasmachine-proof) en de stof die zich daarin ongetwijfeld jarenlang opstapelde. Terwijl ik me daar doorgaans zelden over bekommer.
Toen de zon zich dit weekend even liet zien, kreeg ik Wouter zowaar zover om met mij een tochtje door het plantsoen te maken. We zagen velden vol oranje en paarse krokussen en withangende, betoverende sneeuwklokjes. En we hoorden de vogels luidkeels zingen, al konden we ze als echte stadskinderen niet thuisbrengen. Thuisgekomen ontdeed ik me snel van mijn bruine joggingvodden die me de hele winter als een harnas omhulden. Oranje en lentegroen trok ik aan, als was ik mijn eigen krokus.

t Zel weer veujoar worden.

11 maart 2012
Een nieuwsfeit uit de krant van vorige week blijft maar zeuren in mijn hoofd.
(Een weetje noemt Wouter dit. Als in weetjesboek tegenover verzonnen boek. Dat leert hij hier op school, waar hij in zijn Amerikaanse klas nog sprak over non-fiction and fiction books. Maar dit geheel terzijde.)
Het weetje kwam uit een niet eens zo groot artikel over de Noorse massamoordenaar Anders Breivik. De officieren van justitie in dit megaproces voltooiden zojuist het voorlezen van de tenlastelegging. Tot grote woede en teleurstelling van de overlevenden van dit bloedbad, bleven zij volledig onvermeld. Logisch wellicht wanneer er kilometers bewijsmateriaal bestaat om de man voor langere tijd vast te zetten. Maar fnuikend voor de achterblijvers. Zij worstelen nog dagelijks met de doorstane doodsangst, het verlies van zo veel vrienden en het schuldgevoel van waarom ik wel en zij niet. Als onvrijwillige ervaringsdeskundige in het ontvangen van slechts een digitale doodsbedreiging, ondersteun ik volmondig hun claim. Vergeleken met hun ervaring was de mijne een minuscuul vuiltje in het oog. Vuiltjes die doorgaans nog aardig schrijnen. Het is een gotspe ze niet te noemen in de aanklacht.

9 maart 2012
Ik kreeg het vanuit twee deskundige bronnen bevestigd, dus het moet wel waar zijn. Een waarachtige maar treurige primeur: mimosa is uit.
‘Mevrouw, dat loopt niet meer. Net als fresia’s en anjers. Mijn vader had vroeger zijn kar vol staan met anjers. Ik heb één emmer op de wagen en die neem ik ’s avonds zo weer mee. Het verkoopt niet meer.’ Vol afgrijzen hoor ik de marktkoopman aan. Dat de prins Bernard-bloem niet meer loopt lijkt me logisch. Want wie koopt nou in vredesnaam die truttig aanstelligere rimpelrafels? Maar mimosa? Zacht zoet geurende, fluweelachtig prachtige, donzig frêle mimosa. Hoe bestaat het. Vandaar mijn hartstochtelijke oproep: herontdek de mimosa! Breng mijn lievelingsbloem terug waar ie hoort : bij de bloemist en in de marktkraam. En natuurlijk vooral op mijn salontafel.

7 maart 2012
Boven de wolken moet de vrijheid wel grenzeloos zijn. Een vertaalde regel uit een Duits lied van Reinhard May. De zanger die nog steeds het einde aankondigt van wat waarschijnlijk het langstlopende radioprogramma van Nederland is. Waarschijnlijk schreef hij die tekst in zijn privévliegtuig, en niet in een lijnvlucht zoals ik. In niets voel ik me vrij boven de wolken, opeengepakt met geurende en lawaai producerende anderen. De magie van boven de wolken vliegen blijft echter wel. Soms vormen de wolken een tapijt van witte vilt. Dan weer lijken ze op watten uit een plastic verpakking: als een ineen gevouwen harmonicabaard van Sinterklaas. Beter is het wanneer ze losse plukken wol lijken, waar doorheen vlakjes groen schemeren in uiteenlopende kleurschakeringen. Of waar sneeuwtoppen schitteren, verlicht door de zon.
Heimelijk geloof ik ook nog steeds dat het kan. Dat mijn diepe kinderwens ooit vervuld wordt. Starend naar boven fantaseerde ik dat ik meevoer op zo’n wolk. Liggend op die zachte watten terwijl de wind me vervoerde naar verre oorden. Mijn illusie werd wreed verstoord toen iemand me vertelde dat ik te pletter zou vallen als ik me zou neervlijen. Van sommige kennis zou je graag verschoond blijven.

5 maart 2012
Al jaren lijd ik onder al dan niet openlijke beschuldigingen van mijn huisgenoten. Dat ik zo verstrooid ben omdat iemand een pakje zakdoekjes gevonden heeft in de vrieskast. Kan gebeuren. Of omdat ik laat op de avond, of gewoon wanneer ik moe ben, tafel zeg als ik stoel bedoel. Hoe erg is dat nou helemaal op een schaal van 1 tot 10? Van je huisgenoten mag je als mens toch wel enige flexibiliteit verwachten? Veel erger vind ik het zelf wanneer bijvoorbeeld een portemonnee in de prullenbak verdwijnt en een prop papier in de boodschappentas. ( Multitasken is overigens ten alle tijden ook in andere gevallen sterk af te raden.)
Sinds dit weekend weet ik gelukkig dat ik er zelf niets aan kan doen. Ik ben erfelijk belast. Het zit zo. Een tante van mij- ik noem haar naam maar niet omdat dat te pijnlijk zou zijn, maar ze komt uit Ede – bracht een bezoekje aan Stad. Op de fiets toog zij naar het winkelcentrum. Op advies van mij wilde ze die stallen in de fietsenstalling onder de bibliotheek. Met haar voorzetselgebruik zit het zeker goed. Ze is opgeleid als schooljuffrouw in de tijd toen leerinstituten nog geen zesjescultuur kenden. Toch zag zij kans om met de fiets aan de hand de bibliotheek binnen te lopen, al waar zij vriendelijk werd geweigerd en verwezen naar de fietsenstalling in de kelder.

3 maart 2012
Bezoekers van de Huishoudbeurs vormen een intrigerend soort levende wezens van deze planeet. Ze verplaatsen zich doorgaans groepsgewijs per trein, bij voorkeur met een goedkoop dagtripkaartje van het Kruidvat, waar zij dan het liefst in hun door Libelle of Margriet aanbevolen kledingstukken neerploffen in een stilte coupee. Het overgrote deel is van het vrouwelijk geslacht, alhoewel je – als je goed zoekt – ook wel mannelijke exemplaren aantreft. Die zijn dan vaak in gezelschap van hun vaste, dagelijkse vrouwtje. Met name de groepsgewijs trekkende vrouwelijke exemplaren laten duidelijk van zich horen. Ze stoten luide klanken uit, en doen dit volkomen willekeurig en rap op elkaar reagerend. Ook hinniken ze daarbij af en toe angstaanjagend, al is dat laatste slechts schijn. Doorgaans doen zij geen vlieg kwaad. Al zijn daarop zeker uitzonderingen. Wanneer ze bij het foerageren worden weggeduwd willen ze nog wel eens lelijk van zich af bijten. Men laat ze het liefst gewoon hun gang gaan, dan kunnen ze weinig kwaad. Dit jaar troffen wij dusdanig veel vrouwelijke exemplaren met een lege boodschappenkar, dat wij rustig van een trend kunnen spreken. De evolutie staat nooit stil.

1 maart 2012
Soms verbeeld ik me deze week dat ik in zo’n speciale bejaardenstad verblijf zoals ze die in Amerika kennen. Senior City in Spain. In alle soorten en maten schuifelen bejaarden over de brede boulevards langs zee. En iedere ochtend vaste prik om negen uur verschijnen ze al dan niet gebadmutst in het zwembad van mijn hotel. Baantjes trekken is er nauwelijks bij. Zwemmen is hier veeleer een sociaal gebeuren. De rest van de dag is het zwembad nagenoeg leeg. Desgevraagd is de verklaring simpel. Na het zwemmen kan de make-up ongestoord opgebracht worden en ook het kapsel niet meer verpest door chloor of badmuts. Logisch, ’s ochtends zwemmen. En als aangewaaide niet-senior voel ik me hier al snel een tiener. In jaren niet zoveel sjans gehad, flanerend langs zee in zomerjurk met zonnehoed. Autoramen openen zich met olijke Spaanse begroetingen. Daar ga ik althans van uit, ik spreek geen Spaans. En als ik bij het zwembad word aangesproken als jonge blom kan mijn vakantie niet meer stuk. Senior City: ik kan het aanbevelen.

29 februari 2012
De recessie heeft aardig huis gehouden op mijn vakantieplek. Grootse bouwwerken staan half afgemaakt al jaren te verkommeren, tevergeefs wachtend op betere tijden. Werkloze hijskranen staan als giraffen voor zich uit te staren en worden blijkbaar ook elders niet gemist. Overal hebben de bewoners het merkbaar moeilijk. Dit oord moet het hebben van toeristen en die verschijnen niet zo veelvuldig als vroeger. Al blijven de overwintersenioren zich trouw melden. Een fijne bijkomstigheid, je voelt je al snel een jonge blom als je om je heen kijkt. Het handjevol toeristen die wel kwam wordt gelokt met bespottelijk lage prijzen. Voor een prikje kun je je melden bij een makelaar voor een appartementje aan zee of een complete bar met inboedel. Overal staan borden aangeplakt met te koop staande flatjes. In het straatbeeld achterstallig onderhoud, waar je ook kijkt. Het eens mooi ingelegde tegelpatroon op de boulevard is stuk en versleten. Torenflats staan verveloos te staren over zee. Restaurants ogen leeg. Het is nog voorseizoen, maar toch. Alleen de uitbaters die zeer voordelige menu’s aanbieden krijgen klandizie en moeten het hebben van de omloopsnelheid. Maaltijdsoep met brood voor 1 euro 50 en tapas met brood voor een euro. Alles vers en zelfgemaakt. Zou dat in het hoogseizoen nog steeds zo zijn?

27 februari 2012
Soms ga je naar plekken waar je nooit de intentie had naar toe te gaan. Omdat je denkt dat ze niet bij je passen, mensenhanden teveel kapot maakten van wat eens puur en prachtig was. Plekken met veel mensen, plat vermaak en lawaai. En als je dan – gezwicht door andere, zwaarwegendere redenen – gearriveerd bent, is het goed om te merken dat schoonheid en geluk overal te vinden is.
In liefdevolle zorg en aandacht, in flintertjes overgebleven ongerepte natuur, in zon op de blote huid midden in de winter. Je ontdekt bijvoorbeeld de bekoring van contrasten: een schroothoop van verroeste vrachtwagenonderstellen opgestapeld tegen witte schuttingpalen. Of een zacht klotsende branding in een ovaalvormige baai met eindeloze rijen flatgebouwen met balkons. Als een gigantisch voetbalstadion gericht op dat ene punt dat hier niet groen is maar blauwachtig grijs. Een zweem zeelucht waait mijn kant op, het ruikt vissig. Kleine golfjes kletsen op glibberig uitgeslagen rotsblokken, een rustgevend en vredig geluid, regelmatig afgewisseld door geknetter en getoeter van de vele scooters die langs de boulevard schieten.

25 februari 2012
Dit wordt een zuur stukje, dus sla het vooral over als je wel wat beters te lezen hebt.
Probeerde ik sinds de start van dit blog om de twee dagen iets te schrijven, de laatste weken mislukte dat jammerlijk. Pijn is aan niemand besteed en ik ben daarop geen uitzondering. Doorgaans behept met een redelijk zonnig humeur – maandelijkse bekend veronderstelde momenten daargelaten – verander ik in een wild verscheurend beest zodra de eerste pijnscheuten merkbaar zijn. Mocht ik ooit geveld worden door een slopende ziekte dan zal ik mij uit piëteit met mijn dierbaren terugtrekken in een hutje op de hei. Met morfinepomp hopelijk. In mijn rouwadvertentie geen zinsneden als moedig gedragen ziekbed maar eerder ze droeg haar ziekte als een bitch met zelfkennis. Zitten lukt slecht met rugpijn en erg creatief word je er ook niet van. Wel mopperig zoals gezegd. Dus laat ik nu gelijk maar van die gelegenheid gebruik maken. Mijn jongste broer waarschuwde me aan de start van mijn blog vooral niet te veel zure stukjes te schrijven. En daar heeft hij gelijk in. Nu ik echter toch al bezig ben kan ik maar beter van de gelegenheid gebruik maken. Dus hieronder een aantal ergernissen die het vanwege het zuurgehalte niet geschopt hebben tot verschijning op dit blog maar die ik nu verschrikkelijk graag grommend kwijt wil. Om wijlen Robert Long te citeren: ‘Dan zou ik toch nog even graag heel beschaafd willen zeggen: ’
Alle rokers voor de ingang van een ziekenhuis, rook uitblazend boven grote verbodsborden wens ik een ernstige longziekte voor een dag.
Al die doortaterende reizigers in een stiltecoupee mogen van mij drie reizen lang staan in een tussenstuk.
Al die verkeersgebruikers die geen richting aangeven zodat je voor Piet Snot staat te wachten, of dubbel geparkeerd staan en onveilige situaties veroorzaken, me op de stoep omver fietsen, of gaan schelden omdat ik voorrang verleen waar dat verlangd wordt, veroordeel ik tot een lekke band op een plek zonder telefoonbereik.
Dat lucht lekker op en smaakt naar meer. Weest gerust, de volgende keer pak ik wel een dagboekje.

18 februari 2012
Altijd leuk om iets te doen dat je niet eerder deed. Leuk en spannend tegelijk. Zo mocht ik voor het eerst in mijn leven onder een MRI-scan. Op een late zaterdagmiddag in Utrecht. In een spookachtig verlaten ziekenhuis zat ik moederziel alleen in een lege wachtruimte omringd door lange gangen. Alleen een schoonmaker was in de verte te horen, rijdend op een soort grasmaaimachine maar dan met een dweil eronder. Even later werd ik uit mijn eenzaamheid verlost door een zeer verbolgen verpleegkundige die me toebeet dat ik in de verkeerde wachtruimte zat. Terwijl ik slechts de instructies van de portier opvolgde. Waarschijnlijk had ze liever gewinkeld die middag. Ik volgde haar een ruimte in met een kleedkamer. Ze zei iets dat ik niet verstond vanwege een vreselijk lawaai alsof er een kudde olifanten hard lopend met drilboren in de weer was. ‘Is er nu nog iemand in de MRI?, vroeg ik. Ik had al gehoord dat ze nogal wat lawaai maken. Maar het bleek dat ze beneden aan het verbouwen waren. En dat was jammer, want nu weet ik nog niet of de diverse geluiden die ik ondanks een gigantische koptelefoon op mijn hoofd door mijn hersen voelde dreunen nou van de verbouwing of het apparaat kwamen.
Een MRI behandeling kan ik nu proefondervindelijk aanraden als een zeer ontspannen activiteit. Het enige dat je hoeft te doen is languit liggen en niet bewegen. Iets wat mij doorgaans van nature moeiteloos afgaat.

15 februari 2012
Een ramp komt nooit alleen, voor zover je kunt spreken van een ramp natuurlijk. Op de schaal van wereldleed is het vanzelfsprekend een pluisje. Op de schaal van dagelijkse beslommeringen scoort mijn tegensputterende rug echter toch wel tamelijk hoog. Terwijl ik zo goed bezig was. Met fysiotherapie en braaf oefeningen doen was ik weer dusdanig op de been dat ik dacht mijn yogalessen te kunnen hervatten. Yoga lessen zijn mijn oplossing voor de van regeringswege aanbevolen bewegingsactiviteiten. Je moet wat als je niet sportief bent. En voor ze me voor het niet bewegen uit de ziektekostenverzekering gooien dacht ik er goed aan te doen om maar weer eens voorzichtig te beginnen. Dat bleek een misvatting en nu zit ik zwaar onder de medicijnen om het dagelijkse leven nog enigszins dragelijk te houden. Maar het heeft zijn voordelen. Vooral op de ontspanningspillen reageer ik uitermate goed. Zo goed dat ik totaal geen last heb van het feit dat de wasmachine al een tijd stuk is en pas over een week vervangen wordt. Blijmoedig bezie ik de groeiende berg wasgoed en trek nog maar eens de sokken van gisteren aan. Schoon wasgoed wordt zwaar overschat.
Ik hoop dat mijn rugklachten nog even aanhouden totdat de nieuwe wasmachine komt.

11 februari 2012
Onze stad is in een ansichtkaart van Anton Piek veranderd. Fietsend langs de grachten van Groningen zie ik de oude zeilschepen en woonboten vastgeklonken aan stevig, schaatsbaar ijs. Voor het eerst in vijftien jaar is het mogelijk een rondje stad te schaatsen, onder de bruggen door, langs het veelkleurige Groninger museum. Om het Anton Pieck gevoel nog wat te vergroten heeft een bootbewoner een zopie tent ingericht. Een ouderwets grote ijzeren ketel staat klaar voor de zopie-liefhebber, met plastic bekertjes ernaast wat wel een beetje afbreuk doet. Even overweeg ik het ijs op te gaan om aanschouwelijk te onderzoeken hoe dat toch smaakt, zopie. Maar ik besluit het thuis op de moderne manier te doen. Helaas levert googelen diverse mogelijkheden op, van warme chocolademelk tot zelfgebrouwde warme dranken met rum en bier. Over vijftien jaar maar eens echt gaan proeven.

9 februari 2012
Zoals je af en toe een was draait op 95 graden om de machine te beschermen tegen bacteriën en kwade reuk, zo merk ik dat zonder afleiding kunnen schrijven goed is voor mijn algeheel welbevinden. En het omgekeerde is ook waar: zodra die rust er niet is, ik teveel word opgeslokt door immer terugkerende huishoudelijke beslommeringen en andere dringende zaken des levens ( je kent ze wel) verander ik langzaam in een weerwolf, maar dan zonder extra haar gelukkig.
Blijven schrijven dus, tegen de klippen op, is mijn goede daad voor de mensheid. De mensheid in kleine kring dan wel te verstaan. Zou je denken. De mensheid hier in huis is echter doorgaans meer geïnteresseerd in het wanhopig signaleren van het laatste pak koffie (hint) of de vindplaats van voetbal- en handschoenen. Mij valt dus duidelijk niets te verwijten wanneer ik weer eens briesend door het huis loop.

7 februari 2012
Ik kan het nu officieel bevestigen: het is echt koud. Vannacht was het in ons beschutte en geheel ommuurde postzegeltuintje maar liefst min dertien graden. En vanochtend was daar de primeur van het douchen met bevroren spons en shampoo. De lente lijkt verder weg dan ooit en vanavond eten we boerenkool.

5 februari 2012
Er zijn veel redenen op te noemen om de vrieskou vooral te vermijden. Wintertenen, Elfstedentocht-hysterie en kapotte waterleidingen om maar een paar te noemen. Toch ontdekte ik ook voordelen. Het meest bijzondere voordeel vind ik de stilte. Waag je naar buiten in de ijzige kou en je ontwaart een serenere wereld. En niet alleen wanneer er sneeuw ligt en de stilte logisch lijkt vanwege het dempende effect van de witte deken op de stoep. Ook zonder sneeuw is daar die weldadige stilte. Alsof ook het geluid zijn klinkende best moet doen om warm te blijven en daarom niet te veel energie wil verspillen. Van mij mag het nog even blijven vriezen.

3 februari 2012
Gezegend met twee linkerhanden koester ik een mateloze bewondering voor beeldend kunstenaars. Dat het in je op komt om een lamp te maken van puzzelstukjes en dat het je vervolgens ook nog lukt om zoiets daadwerkelijk in elkaar te boetseren.
Gisteren bezocht ik een begaafde jonge kunstenaar die voor mij een geweldige rok naaide van alleen maar stropdassen, waaronder oude stropdassen van mijn vader en dassen gekocht in mijn lievelingsdorp in Californië. Als dank knutselde ik iets met woorden.

Stropdasrok

Sierlijk gestrikte stroken
stof masculien van snit
kleurige waaier van
herinnering en geduld

een fantasierijke fee
weefde vlijtig een kunstwerk
van vlas en van zij
gesponnen met tijd
en met aandacht

1 februari 2012
Het schijnt dat mensen naarmate ze ouder worden steeds vaker poneren dat het vroeger allemaal beter was. Dus ik begeef me op vreselijk glad ijs, en dat bij min zeven buiten.
Vroeger, toen alles nog beter was, kwam eens per week op een vast tijdstip een grote vuilniswagen met dito stoere mannen langs om de aan de weg gezette zakken weg te halen. Hoe simpel was dat? Gewoon de zakken verzamelen, onthouden wanneer ze aan de weg moeten en die paar meter van schuur naar de weg waren nog te overzien.
Tegenwoordig moeten die zakken driehonderd meter verderop gedeponeerd worden in een ondergrondse vuilcontainer. Een aanslag op je rug en schouders, helemaal omdat je de helft van de tijd weer terug moet sjouwen met die zakken omdat de container vol zit of weer eens kapot is. En omdat onze straat om onverklaarbare redenen tot de binnenstad behoort, wordt ons vuil niet gescheiden. Dus zijn de zakken immens zwaarder, want gevuld met tuinafval, bedorven sierpompoenen, aardappelschillen en bloemkoolstronken. En dan heb ik het nog niet eens over het schuldgevoel bij het weggooien van een verschimmeld brood of een uitgedroogd, onder de wapenwet vallend stokbrood. Ik gooi toch liever voedsel weg met de gedachte dat uit het te maken compost nog eens een geweldige bloem groeit.
Onze vuilniszakken verzamelen zich nu eveneens in onze kleine schuur, maar bij gebrek aan afhaaldag blijven ze zich daar verzamelen tot het moment dat onze fietsen niet meer uit of in de schuur kunnen. Nu heeft het baren van slechts zonen voordelen zou je denken. Zeker wanneer die zonen in hun pubertijd onbegrijpelijke dingen doen met gewichten en daardoor afschrikwekkende spierbundels ontwikkelen. Terwijl ze natuurlijk hun tijd veel beter besteed hadden door het trainen van hun hersens. In de tijd dat mijn oudste zoon nog thuis woonde bereikten we door jarenlange opvoedkundige training zelden of nooit het moment dat we de schuur niet meer in konden. Al is een groot deel van mijn onzichtbaar geverfde grijze haren aan deze jarenlange training te wijten. Herhaling is de kracht van de boodschap, en die boodschap verliep wekelijks geheel cyclisch en cumulerend. ‘Zou je vandaag alsjeblieft de vuilniszakken willen wegbrengen, mag ik je nog even herinneren aan, denk je om, wanneer denk je dat, als je nu niet, zijn die @#%$#@$ vuilniszakken nog steeds niet!’ Tot het wanhopige moment van gele memoblaadjes plakken op strategische plekken de truc deed. Enfin, tegen de tijd dat ie uit huis ging verliep het moeiteloos. Nu is de jongste in training en nemen mijn kappersbezoeken weer in frequentie toe.

29 januari 2012
Eindelijk kan ik de cadeau gekregen zakjes met zaadbolletjes voor de vogels ophangen in de tuin. Winter. Toch nog. De Noorse trui kan eindelijk weer uit de kast en de kachel wat graadjes hoger. Alleen die ogenblikkelijke gekte van gretige schaatsliefhebbers zou een onsje minder kunnen. Maar ook dat went wel weer en ebt bovendien vanzelf weg naarmate de temperaturen dalen.
Het is of de kou ons weer even wakker schudt uit die saaie januarimaand waar je als noordeling nu eenmaal altijd even doorheen moet. Tenminste als je niet kunt overwinteren zoals de trekvogels en actieve senioren, zoals gepensioneerden tegenwoordig graag genoemd willen worden. Zelf bracht ik een bezoek aan twee trekvogelsenioren die naar Spanje vliegen. Met de koffers en handbagage tot op een ons nauwkeurig beladen met rookworsten, poedersoep en gevriesdroogde boerenkool. Jammer dat de goedkope vliegmaatschappijen het toegestane gewicht zo ingekrompen hebben, anders hadden de piepers ook nog meegekund. Het zij ze gegund.
Wij genieten wel van de tere sneeuwklokjes die heel dapper al staan te klingelen boven de bevroren grond.

27 januari 2012
Samen met mijn tienjarige zoon kuier ik door de straat vlak bij ons huis die ooit bol stond van buurtwinkeltjes. Inmiddels tellen we onze zegeningen met de steeds van naam en eigenaar veranderende buurtsuper, een bloemenwinkel en een kopieerwinkel. Naar die laatste zijn we op weg, om de voltooiing van een prachtig werkstuk over de Eerste Wereldoorlog te belonen met een glanzende kaft.
Aan de overkant van de straat ontwaren we een voor Groningse begrippen vreemd beeld. Twee geheel in zwarte boerka’s gehulde vrouwen. Een van hen duwt een wandelwagen met een klein jongetje erin. Het is een fascinerend gezicht om op een kleine streep bij de ogen na een mens totaal bedekt te zien. Ongemakkelijk ook. Waarschijnlijk omdat het een lawine aan emoties en gedachtes oproept.
Dat het natuurlijk moet kunnen, iedereen zijn vrijheid nietwaar? Maar. Dat het vanzelfsprekend overdreven is om zo je religie te moeten beleven. Maar. Dat het natuurlijk ook vreselijk vrouwonvriendelijk is. Maar. Dat het feit dat je zo over straat moet omdat mannen zich anders niet zouden kunnen bedwingen furieus makend is. Maar. Dat het ook nog eens vreselijk ongezond is om geen daglicht te vangen. Maar. Dat je natuurlijk niet met Wilders en consorten geassocieerd wil worden. Maar.
Als je wacht op een slotconclusie moet ik je teleurstellen. Die heb ik niet. Maar of verbieden nou zo’n goed idee is? Ik waag het te betwijfelen. Mijn zoon heeft zo zijn eigen gedachtenspinsels.
‘Waarom heeft het jongetje wel gewone kleren aan?’

25 januari 2012
Als ik de straat uit fiets zie ik midden op het trottoir een perfect gevormde hoop sigarettenpeuken in de vorm van een bijna volle maan. Als een paardenbloem op saai beton vormt het een vrolijke noot op de stoep. Misschien moet ik het daar gewoon bij laten en niet verder nadenken over wat er aan vooraf ging. De voorheen illegaal geparkeerde auto en de achteloze, wellicht bijna onbewust vanzelfsprekende handeling om afval te dumpen. Een asbak is gauw geleegd.
Zo’n asociaal gebaar uit zelfbescherming gewoon niet binnen laten komen. Om me niet de hele dag te hoeven ergeren aan energieverspillende hufterigheidjes die zich als springbalsemien opdringen. Plotseling op de rem moeten staan bijvoorbeeld, omdat ik van de sokken gereden word door een van de stoep afkomende fietser. Een middelvinger ontvangen omdat ik voorrang verleen voor rechts.
Vanaf nu houd ik me aan de geweldige tip die ik onlangs las. Juist niet in de begeerde stiltecoupé plaatsnemen en je vervolgens blauw ergeren aan het gekwek. Daarentegen in een normaal treinstel stappen waar lawaai gebruikelijk is en daardoor vanzelfsprekend.
Gewoon minder verwachtingen koesteren, dan valt het allemaal niet zo tegen.

23 januari 2012
Mooie woorden maken gelukkig.
Dat las ik vanmorgen in een met eindeloos geduld – mindful noemen ze dat tegenwoordig – eigenhandig in elkaar geknutseld kalendertje uit een tijdschrift. Alles voor een glimlach, dus lever ik graag mijn bijdrage op deze miezerige maandagochtend.

Pompoensoep

Tuttifrutti

Ruisen

Zeezout

Paardenstaart

Miezemuizen

Oelewapper

Snoetjeknovveln

20 januari 2012

Alhoewel ik dagelijks de krant spel sla ik steevast het sportkatern over. Het leven is toch al zo kort. Soms ben ik er niet op verdacht en blijk ik toch ineens iets over sport te lezen. Vaak blijkt dan dat ik er dan ben ingeluisd. Hebben ze zomaar een sportonderwerp in de nieuwssectie verstopt. Het wordt er allemaal niet beter op, ik hoor het u zeggen. Vandaag was dat weer eens het geval, alleen was het dit keer geen straf. De sportverslaggevers waren elf jaar oud en gaven op zo creatieve wijze commentaar dat het zelfs mij kon boeien. Zo weet ik dat het meest interessante moment van de wedstrijd werd bepaald door vijf duiven op de middenstip, en dat er niet werd gescholden. Nou ja, bijna niet. Er was één jongen die het bestond om ‘poephoofd’ te roepen. Hij werd vanzelfsprekend meteen afgevoerd.
Ach, alleen al de gedachte aan een stadion vol kinderen bij een ( van horen zeggen) risicowedstrijd als Ajax- AZ maakt mij aan het glimlachen. En herinnerde mij ogenblikkelijk aan de tophit uit mijn jeugd: Als ik de baas zou zijn van het journaal, uitgevoerd door het kinderkoor met de rollende erren. Ze zongen:

Als ik de baas zou zijn van het journaal
Dan werd meteen het nieuws een heel stuk positiever
De hele wereld werd meteen een beetje liever
Want ik negeerde alle narigheid totaal.

Het geld dat we zouden besparen wanneer vanaf nu alle voetbalwedstrijden alleen bezocht worden r door kinderen. De pensioenfondsen kunnen meteen gaan stoppen met korten en hun lege sokken aanvullen.

18 januari 2012
Apparaten en ik, ik en apparaten. Het is en blijft geen fijne combinatie.
En apparaten moet je heel breed zien, dat ook nog eens een keer. Het begon al met die eng dunne ijzeren breipennen van de handwerkles in klas vijf. Steevast hing het rampzalige breiwerkje na iedere vakantie als een verlept vaatdoekje vastgeroest aan de pennen. En het naaien van lavendelzakjes op de naaimachine verliep al even dramatisch. Waarom eindigde ik altijd met tien in elkaar geknoopte draden bungelend uit de machine? Lang bleef ik uit feministische motieven boos over het feit dat ik indertijd niet naar de veel uitdagendere handenarbeidles mocht, net als de jongens. Nu denk ik opgelucht dat deze hardvochtige discriminatie me achteraf gezien in leven heeft gehouden. Je moet toch niet denken aan de gevolgen van een figuurzaag of hamer in mijn kinderknuistjes van weleer.
Ach, al doende leert men, absoluut waar. En de meeste huishoudelijke apparaten heb ik met inmiddels enige levenservaring op de teller echt wel onder de knie. Tot en met de extra trap tegen de wasmachinedeur om hem echt van start te laten gaan.
Maar die computer van mij blijft kuren houden. Als hij nou eens gewoon zou doen wat ik wil hoef ik toch eigenlijk geen back ups te maken? En waarom eigenlijk kan ik niet elk bestand in Word opslaan zoals ik gewend ben? Het feit dat het een ander programma betreft vind ik zo’n zwak excuus. Ze kunnen zoveel tegenwoordig, laten ze daar nou eens wat aan doen. De mond vol van gebruikersvriendelijke systemen en dan zoveel opsla-mogelijkheden scheppen, dat ik opgeslagen foto’s met geen mogelijkheid terug kan vinden. Eigenlijk ligt het helemaal niet aan mij, maar gewoon aan die apparaten.
Kijk, dat is nog eens een conclusie om vrolijk van te worden.

17 januari 2012
Ineens is het winter, zo plotseling als een onverwachts afgezegde tandartsafspraak en net zo welkom. Een kraakhelder blauwe lucht, kale boomtakken gefilterd door zonlicht en met poedersuiker bestrooide, halfvergane bladeren op de grond. Het is zo stil buiten dat het lijkt of de wereld voor even de adem inhoudt. Stilte voor de storm of bevriezingverschijnselen?

16 januari 2012
In een al eerder genoemd interview met straatpsychiater Jules Tielens betoogt hij de zinloosheid van het tegenspreken van psychotische mensen. Als iemand rotsvast overtuigd is van zijn gelijk helpt het niet om hem te vertellen dat hij het mis heeft. Wat wel helpt is zorgen dat je contact maakt. Door te luisteren, door zonder vooroordelen mee te helpen zoeken naar een oplossing.
Dus luisterde ik toen ik nog als woonconsulent werkte vol aandacht naar huurders die werden afgeluisterd via transistorradio’s, vergiftigd via gaten in de muren ondanks de pleisters die de gaten bedekten. Naar huurders die werden bespied door ruimtewezens in hun flatwoning op zeven hoog of horendol van getik op verwarmingsbuizen door klopgeesten. En dat onbevangen luisteren altijd aan te raden is werd duidelijk op die momenten dat ogenschijnlijke psychoses ordinaire technische mankementen bleken.

14 januari 2012

Kicks voor niks.

Als je goed kijkt zijn er zoveel dingen waar je zonder een centje pijn blij van wordt. Als je ze wilt zien natuurlijk. Vaak zijn de pareltjes echter bedolven onder grote gebaren, overwoekerend onkruid, het gemak van de sleur van alledag en ach laat maar.
Mocht ik dan echt tegen beter weten in voornemens opstellen voor het nieuwe jaar, laat het dan zijn dat ik me vaker laat verrassen, sneller ja zeg en me verwonder in plaats van erger. En een open oog heb voor schoonheid. Zoals mijn flitsende miniturbomelkmotortje, dat elke kop koffie tot een cappuccino tovert. Zoals het inspirerende interview met een straatpsychiater in de NRC van vandaag. Zoals een avond samen met mijn tante naar poëzie luisteren, voorgedragen door dichters.

Kicks voor niks.

12 januari 2012
Mijn moeder vertelde me onlangs een nieuwtje. Het dateert weliswaar van lang gelegen, maar was daarom niet minder schokkend.
Mijn toenmalige vriendinnetje van de lagere school wilde niet dat ik bij haar thuis kwam spelen. Dus spraken we altijd bij mij thuis af, naar mijn idee omdat haar moeder het huis netjes wilde houden. De ware reden blijkt echter mijn niet te stillen leeslust.
Zodra we in haar kamer waren griste ik meteen een boek van haar welgevulde boekenplank en begon te lezen. En dan kwam er van spelen niet zo veel.
Bij ons thuis kochten we geen boeken. Die leenden we van de bibliotheek. Het enige boek dat ik kreeg was het jaarlijkse kerstcadeau van de Zondagsschool, steevast een moraliserende, schuld- en boete- propagerende tranentrekker van reli-kinderboekenschrijver W.G. van der Hulst. Met zo’n saaie kaft.
Nee dan Gina, die bezat een plank vol populaire gebonden meisjesboeken met veelkleurige omslag. De boeken die ik het liefst van alles wilde lezen en die in de kinderbibliotheek altijd uitgeleend waren. En toen deden ze nog niet aan zoiets frivools als reserveren. Mij treft dus geen blaam. Bovendien: wiens schuld was het nou helemaal? De ouders van Gina verboden haar het uitlenen van boeken. Pure kindermishandeling als je het mij vraagt. Van mij om mij zulk kostbaar goed te ontzeggen, en vooral ook van hun dochter die daardoor geen flexibel speelvriendinnetje ter beschikking had. En wat een verkwistende ouders, om dure boeken te kopen voor een dochter die ze vervolgens nooit las. Nooit! En veel plezier had ik overigens ook niet van dat lezen daar met voortdurend een zeurende Gina aan mijn hoofd. Onze vriendschap heeft het dan ook niet overleefd toen we beiden naar een andere middelbare school gingen.
Daarom kan ik nog steeds niet met droge ogen kijken naar de volle boekenkast van mijn jongste zoon die al die weelde heel gewoon vindt.

10 januari 2012
Als ik de buitendeur open doe is slechts de helft van de vertrouwde buitenwereld aanwezig. Mist blijft een mystiek fenomeen en een graag gebruikt metafoor waar ik me vandaag niet aan zal wagen, al is het verleidelijk.
Vandaag is voor andere zaken. Bijvoorbeeld de treffende column van Arnon Grunberg in de Volkskrant van vanmorgen. Alhoewel ik geen fan ben van zijn werk – inderdaad, ik ben zo’n verfoeide leesbarbaar die niet graag iets leest van iemand waar ik geen sympathie voor voel – kan ik zijn korte columns op de voorpagina nog net hanteren. En soms zegt hij toch iets dat me raakt. Vandaag vertelt hij over het vieren van zijn pas toegekende Amerikaans burgerschap. En hoe hij bij die mededeling door mede-Amerikanen meteen wordt opgenomen als een van hen.
Mij bracht dit meteen terug naar ons eenjarige verblijf in Californië, waar we eveneens direct als medeburger werden geaccepteerd volgens de uiterst eenvoudige regel: als je hier woont ben je er één van ons. Niks mistigs aan. Simpeler kunnen we het niet maken. We hoeven het alleen maar na te leven.

8 januari 2012
Het komt niet zo vaak meer voor, maar ineens is het er dan soms toch en meestal op onverwachte momenten: het kind in mij. Deze keer sprong het naar voren omdat ik gisteren nieuwe kleren kocht in de uitverkoop. En die wil ik dan natuurlijk meteen aantrekken. Ik prees me vroeger al gelukkig met een invoelende moeder die me dit ook toestond, in scherp contrast met mijn sneue vriendinnetjes die de geliefde nieuwe aankoop moesten bewaren voor de zondag.
Na dagen van slecht weer scheen vanochtend een blekig zonnetje en kreeg ik zowaar zin in een ommetje. In mijn nieuwe houtje-touwtje en toch stijlvolle winterjas met gebroken wit wollige sjaal natuurlijk. Maar wat jammer van het bijpassende setje handschoenen en muts. Zonde om die niet ook in te wijden. Bovendien, het was maar vijf graden boven nul. Dus toog ik geheel in stijl naar buiten waar ik al snel de enige bleek met muts én sjaal én handschoenen. Meewarige blikken trotserend wandelde ik dat het een lust had en voelde ik me alras getroost door goedgemutste meisjes die ter Moslimkerke gingen. En even buiten de stad, zonder de beschutting van de huizen en flats was ik maar wat blij met mijn smaakvolle setje.
Bovendien, wie maalt nou om de mening van omstanders als je eigen significant other je een cutie pie noemt in je nieuwe outfit?

7 januari 2012
Proefondervindelijk kan ik uiterst tevreden constateren dat ik ondanks een lange periode van noodgedwongen onthouding het nog steeds in me heb. Uit dankbaarheid deel ik natuurlijk graag mijn ervaringsdeskundigheid met mijn trouwe lezers.
Tactisch tips voor mensenmassa mijdende types die toch willen profiteren van de uitverkoop.

Ga zodra de winkels open zijn.
Weet wat je wilt kopen.
Kies van tevoren de te bezoeken winkels uit.
Blijf niet langer dan anderhalf uur winkelen.
Ga voor goed, maar wees tevreden met goed genoeg.
Herhaal zo nodig een volgende dag bovenstaande regels.

5 januari 2012
Vannacht overkwam het me weer eens. Wakker worden met een smekende blaas om vervolgens met een uiterste krachtsinspanning de blote voeten op het koude zeil te zetten voor een bekend veronderstelde activiteit. Om dan vervolgens in bed te gaan liggen navelstaren. Of navelstaren, dat is wat negatief geformuleerd. Eigenlijk schrijf ik op die  momenten de prachtigste volzinnen, krijg ik de geweldigste ideeën en de beste oplossingen voor alle grote wereldproblemen. De prijzen die ik had kunnen winnen wanneer ik ’s nachts opnieuw was opgestaan om die briljante gedachten op papier te zetten..
Maar ja, ik ben nu eenmaal weer één van die mensen die haar schoonheidsslaapje o zo bitter nodig heeft. En dan, dat ijskoude zeil.

3 januari 2012

Net na de jaarwisseling zie ik een blonde jongen weghollen vanuit een winkelcentrum. Hij rent alsof hij achterna gezeten wordt door een kudde stieren in een eeuwenoud smal steegje, zoals je dat wel eens ziet op tv.
Betrapt met vuurwerk of iets gepikt, concludeer ik terwijl ik hem fietsend nakijk. Om vervolgens beschaamd te constateren dat hij hijgend stil houdt naast een stoppende bus.
Dat wordt opnieuw formuleren van goede voornemens.

1 januari 2012
Niet eerder had ik last van onze vrouwenhuishouding. De meeste klussen krijgen wij geklaard, al dan niet met een voor de gelegenheid ingevlogen manspersoon.
In mijn feministische periode zou ik dit knarsetandend aanvaard hebben, nu berust ik erin dat er nu eenmaal enkele zaken zijn waar ik minder goed in ben en waar mannen doorgaans sterker in zijn.
Oké, oké: veel meer zaken  dan me lief is. Maar daar staan weer veel dingen tegenover die ik goed kan. Dus.
Ter zake. Onze jongste zoon wilde vuurwerk afsteken. En hij liet zich niet meer afschepen met sterretjes . Dus togen wij op doorreis naar een dorpse Gamma alwaar wij twaalf (12) vuurpijlen kochten, inclusief drie (3) aansteek-lonten, één (1) vuurpijllanceerplatform en drie (3) vuurwerkbrillen.
En om middernacht verschenen wij als stoere MythBusters voorbereid op explosieve experimenten gebrild op straat.
We leven nog.

31 december 2011

Oliebollenblues

Teveel gebulder 
Teveel gezeur
Teveel gepieker
 Teveel  geleur

Teveel grote woorden 
Teveel grof geweld
Teveel grimmig uitzicht
 Teveel besmet geld

Teveel honger
 Teveel pijn
Teveel oorlog
  Teveel chagrijn

Genoeg hoop
 Genoeg kansen
Genoeg liefde 
Genoeg mensen

In ieder geval voor een verdienstelijk 2012

28 december 2011

Ik bel naar huis waar ik iemand thuis weet die op dat moment de kat aandacht geeft.
We zijn immers al vijf dagen van huis. En ondanks dat ze zeggen dat katten zich niet aan mensen hechten, die van ons weet beter. Er wordt te laat opgenomen en mijn stem klinkt uit het antwoordapparaat.  ´En weet je wat Ginny deed: ze liep naar het apparaat en hield haar kopje schuin alsof ze je stem herkende.’
Altijd fijn als er naar je geluisterd wordt.

25 december 2011 

Kerstimpressie

Gekus, gegil, geren, geschuifel, koffie met kerststol.
Gekeuvel, gegrinnik, geplaag, gezellig, gepuzzel, glühwein.
Frisse neus, leeg dorp, stille straten, levende kerststal.
´Kijk een fazant!´  ´Waarom zijn hier geen winkels open?’ Watertoren, kinderen weg. ‘Boe’.
Stokbrood, garnalen, vegetarische voorgerechtjes, en ‘vooruit, kies nog maar iets lekkers uit de kerstboom.’
‘Wij hebben nummer 24 al!’ ‘Leg eens uit?’ ‘Hij is wel moeilijk dit jaar.’
‘Nee, we gaan niet samen wonen, op onze leeftijd, nee zeg. Gewoon, vriendschap met een kusje.’
‘We gaan naar het strand jongens.’ ‘Ik wil op de fiets.’
Frisse neus (2), Badweg, strand, wind, zee, duinen, voetballen, lopen in stilte. ‘Ameland is mooier, daar hebben ze speelhallen.’ ‘Wat boffen we met het weer.’
‘Eerst de kinderen. Die oven is wel klein, kunnen we de aandappels niet beter in de koekenpan doen?Ze zijn scherp zeggen de kinderen. Pas op, dit is heet, even aan de kant, laat ons maar even, ga toch zitten. Is er nog een stoel? Nee, nu even niet, vraag maar aan je andere moeder. Nee, niet nog meer zoetigheid, zitten! Waarom koop ik cola light als niemand het drinkt? Die lofschotel is weer goed dit jaar. Zijn er nog peertjes? Jammer van die bodem maar verder is hij lekker hoor.’
Gehang, geteken, gegaap, gegil. Alles donker, oma vertelt een spookverhaal. ‘We doen Idols, en oma is jury. Doe jullie ook mee? Nee, ik mag niet op de DS als er visite is.’
Nog anderhalf uur voor de boot gaat. ‘O, het toetje moet nog. Is ie weer goed gelukt? Zoet zeg. Een pond suiker?? Is er nog meer taart? Nu al op? Wie moet er nog plassen. Hebben we alles? Kom, de bus wacht niet. Ach, we wachten toch samen, hij komt al over 20 minuten. Daar is ie. Dag en bedankt, het was gezellig. Goede reis. Niet meerennen met die bus!
Wat is het stil.’

23 december 2011

Calvinistisch groot gebracht worden betekent een gevoeligheid voor schuldgevoel ontwikkelen. Zo ken ik heimelijke genoegens die eigenlijk niet mogen. Oftewel not done, zoals de Engelsen zo fraai zeggen.Wat voorbeelden: overdag televisie kijken, chips eten met een dipsaus ook nog, roddelbladen lezen bij de kapper of elders waardoor het nog een graadje erger lijkt.
Ik kan nu weer eentje toevoegen aan de lijst: het aanschaffen van appels, echte appels om op te eten, waarop in de schil Merry Christmas geschreven staat. Drie kocht ik er en ze staan te pronken op de schoorsteenmantel in ons huurhuisje op Schiermonnikoog.
Mijn visie: als je kunt genieten van een heimelijk genoegen dat eigenlijk not done is wordt de zonde sowieso weggewist.
En zeker met Kerst.

21 december 2011
Sommige taalvondsten van tekstkunstenaars blijven voor altijd hangen in je hoofd en nestelen zich als vetrolletjes die nooit verdwijnen, hoe vaak je ook naar de sportschool gaat. Vooropgesteld dat je dit ooit zou overwegen.
Kicks voor niks van Koot en Bie is daar een goed voorbeeld van. Een vaak gebezigde uitspraak bij het genoeglijk uitoefenen van activiteiten als: witte besjes pletten met je voet, glijden door een hoop herfstbladeren of het kapotknappen van inpakbubbelplastic.
Vandaag leerde ik een nieuwe kick. (Familie altijd blijven koesteren.) Mijn mobieltje blijkt een zaklantaarn te bevatten en nu wandel ik vol trots op de donkerste plek van Nederland met mijn eigen lampje altijd bij me.

18 december 2011
Al neem ik me ieder jaar stellig voor dat het me dit jaar zeker niet zal overvallen, het is sterker dan ikzelf. Het overspoelt me als een plotseling ijskoude douchebeurt vanwege een onnadenkende huisgenoot.
Decemberstress.
Eigenlijk begint het al op 1 december met de voorbereiding voor Sinterklaas. Een feest waar ik heel goed zonder kan leven ware het niet dat hier door de jongste bewoner thuis anders over gedacht wordt.  Diezelfde persoon heeft daarnaast ook nog de leeftijd dat het vieren van een verjaardag het hoogtepunt van het jaar is en niet een dag waarop je denkt aan rimpels, aftakeling en aftellen.
En hij kan er toch ook niets aan doen dat zijn moeder een hekel heeft aan verjaardagen in combinatie met een heftige decemberallergie? Dus schouders onder kinderpartijtjes, grote- mensenvisites, schooltractaties, ultieme verjaardagscadeaus-expeditities.
Je vraagt je wel af welke voorzienigheid er voor gezorgd heeft dat zo iemand twee kinderen baart in december en zelf op 3e kerstdag geboren is. Strompelend  sleep ik me door de decemberdagen.
Dat mijn eigen verjaardag  slechts zelden gevierd wordt is natuurlijk geen verrassing meer. Na de sociaal bewogen kerstdagen  houd ik doorgaans een winterslaap om nog een keer te kunnen vlammen – nou ja, zachtjes opflikkeren is misschien een beter gekozen beeld – op de laatste dag van het jaar en de bijbehorende nieuwjaarsrecepties. Om als goed voornemen voor het komende jaar te besluiten om, heus, echt, zonder enige twijfel, me niet langer te laten meeslepen door decemberstress.

15 december 2011

Waar het woord ineens vandaan kwam? Geen idee. 
Maar opeens is iedereen bezig met een battle. Een battle tijdens een zangcompetitie, een battle tegen kanker of eetverslaving. Alsof je een grotere overwinning hebt te behalen, stoerder bezig bent wanneer je een battle voert in plaats van een strijd. Is het de tijdgeest die maakt dat we dat nodig hebben ? Onszelf kunnen zien als helden  in weinig heroïsche tijden? En waarom bekt een Engels woord dan zoveel beter dan onze moerstaal? Crazy word je ervan.
Vragen te over om al malend over na te denken bij het wegwerken van achterstallig suikergoed en marsepein.

12 december 2011
In de rij voor de koffie toonbank ontwaar ik met een brok in de keel ineens de hier niet zo bekende wit geglazuurde cheesecake. En muffins en brownies. Voor even waande ik me weer in Californië.
Blijk ik me ineens in de nieuwe Starbucks te bevinden. Vandaar. En jammer genoeg.
Alhoewel een kritische geest duizenden redenen kan verzinnen waarom een grootmacht als Amerika een te vermijden reis- en woondoel is, mij omsloot het liefdevol als een warme handschoen. In geen ander land voelde ik me zo ogenblikkelijk op mijn plek, zo comfortabel verwelkomd door mens en cultuur. En natuurlijk natuur.
Zomaar ergens in je eentje koffiedrinken bijvoorbeeld, met een krant of een schrijfschrift. Of het genot van overdag  een bijzondere film zien, in Nederland bijna een unicum. Al lukte het me afgelopen zaterdag. Om 1 uur ’s middags zat ik helemaal alleen in een bioscoopzaal. Overdag, net als toen, maar dan zonder popcorn.
Een betere voorbereiding op het schrijven van mijn eerste scenariotekst kan ik niet bedenken.

9 december 2011

Vandaag werd mijn eerstgeboren zoon 21 jaar.
Een moment om even bij stil te staan.
Om bijvoorbeeld te mijmeren over de loeizware bevalling: na 3 dagen weeën alsnog halsoverkop naar het ziekenhuis, horizontaal op een ziekenhuisbed platgespoten een kind eruit poepen. En dat na het lezen van duizenden boeken over romantische , verticale thuisbevallingen op eigen kracht, onder het genot van een rustgevend muziekje en geurkaarsjes. Maar het resultaat mocht er uiteindelijk wezen.
En ook nu nog, ondanks generatiekloof aangevende, tijdgeest-lichaamsverminkingen.
# trots op mijn grote zoon!

7 december 2011

Trouw nooit een wetenschapper. Die lezen namelijk wel altijd de wetenschapsbijlage in de uitpuilende weekendkrant en brengen je dan vervolgens enthousiast op de hoogte van nieuwsfeitjes waar je heel goed zonder had gekund.
Bijvoorbeeld dat je een veel grotere kans hebt om dood te gaan in het verkeer dan om neer te storten met een vliegtuig. Fijn om te weten als je eens per jaar vliegt en een dagelijkse verkeersdeelnemer bent. Of wat te denken van de risico´s van narcoses en het pleidooi  voor het vermijden van onnodige operaties. Wist je dat iedere operatie van welke aard dan ook enorme risico´s met zich mee kan brengen?
Ik wel.
Ik ben dan ook erg blij zo goed geïnformeerd te zijn nu ik binnenkort een operatie moet ondergaan.

5 december 2011
Tussen de buien door een boodschap doen op de fiets. Dat had ik voor ogen toen ik plots overvallen werd door een enorme hagelbui. Alsof de hemel werd opengetrokken kwam een waterval van korrels naar beneden. Ik haastte me naar het fietserstunneltje onder het spoorviaduct. Al  gauw stond ik daar niet meer alleen. Van beide kanten kwamen fietsers aangesneld die even stopten om te schuilen. Niemand zei iets, iedereen keek gelaten in gedachten verzonken voor zich uit. We luisterden naar het tikken van de hagel, de  juichende en gewoon doorspelende kinderen op het nabijgelegen schoolplein en het ophalen van snuivende natte neuzen.
Toen stopte de hagel en fietste één van ons weg, weldra gevolgd door de rest.

3 december 2011
Grappig dat flarden tekst diverse associaties oproepen op verschillende periodes in het jaar.
´Ik denk dat ik weet wat iedereen heeft bij ons thuis,´ hoorde ik op de zaterdag voor Sinterklaas een moederlijk uitziende vrouw zeggen.
Ogenblikkelijk zag ik een scene voor me van een gezin met pubers dat lootjes trekt uit zo´n vreselijke Unox rookworst muts. Aan de hand van de verveelde of gepijnigde gezichtsuitdrukking heeft deze  invoelende vrouw kunnen deduceren wie welke persoon getrokken heeft.
Al kan het natuurlijk ook heel anders geïnterpreteerd worden. In een land en tijd waarin niemand zijn hand meer omdraait voor een uitdrukking als: ik weet niet als ik op tijd kom, waarbij het woord of per abuis vervangen is door het woordje als, is alles mogelijk. Deze alwetende moeder weet natuurlijk precies welke spullen ieder gezinslid al heeft en kan daarom een goede aankoop doen. Aan de andere kant kunnen ze natuurlijk ook allemaal een ziekte onder de leden hebben.
Enfin, waar je je al niet mee bezig kunt houden. En dat terwijl ik nog geen  Sinterklaasgedicht af heb.

1 december 2011

Iedere keer als ik naar school fietste viel het me op. De gigantische witte pompoen, als een reusachtige rijpe pukkel prijkend op de terrastafel van een café-restaurant. Een opvallend sierobject, vermoedelijk uitgestald om gasten te trekken , met een knipoog naar Halloween en Sint Maarten.
Zo groot zag ik ze eerder alleen in het oranje.
Na een aantal weken viel me op dat de pompoen leek te krimpen. Elke week leek ie letterlijk uitgedijd en lager. Hij begon te rotten aan de onderkant. Waarschijnlijk minder sterk dan zijn oranje soortgenoot. Dinsdag zag ik hem opnieuw, als vuil afgedankt en gedeponeerd langs de stoeprand. Ongeveer de helft van zijn oorspronkelijke grootte. Verder fietsend peinsde ik over het afvoeren van zo’n gevaarte.
De volgende dag kwam ik weer voorbij. Wachtend op het stoplicht werd mijn nieuwsgierigheid bevredigd. Een vuilnisauto met open laadbak stopte. Drie grote brede mannen met dito werkhandschoenen stapten uit om dit klusje even te klaren. Gedrieën tilden ze de zware pompoen. Even zo snel lieten ze de pompoen of wat daar van over was weer vallen. Onder de schil bleek het een grote draderige en slijmerige massa. Als een drilpudding stortte de pompoen ter aarde.  De chauffeur trok zijn handschoenen uit en deponeerde ze in de afvalbak.
De mannen liepen naar voren en reden weg, de pompoenmassa achterlatend.

29 november 2011
In ons huis woont een roodharige poes met een neurose.
Deze in het dagelijkse leven doodnormale, lieve en speelse poes verandert in een wildverscheurend beest zodra een touwtje zichtbaar wordt. Het liefst een touwtje dat door een willekeurige bewoner in huis wordt rondbewogen.  En als die willekeurige bewoner daar geen aanstalten toe maakt ziet ze er geen poot in om een van de vele, speciaal voor haar vervaardigde speeltjes met  vastgeknoopte touwtjes  voor zijn of haar neus te leggen.
Spelen, en nu snel.
En dat doen wij dan natuurlijk braaf. Een vervelende bijkomstigheid is dat in ons huishouden regelmatig iets genaaid moet worden.
Voor deze reparaties  zijn wij gewoon draadjes te gebruiken. Inmiddels hebben wij ons aangeleerd alleen reparaties uit te voeren wanneer de kat afwezig is of slaapt. Helaas heeft zij sinds kort een zevende zintuig ontwikkeld. Zodra de naaidoos tevoorschijn komt, zelfs met de deksel er nog op, springt zij spinnend en ronkend op en doet alles om bij het touwtje te komen. Zie dan maar eens een draad door de naald te krijgen.
Gisteren was zij in een diepe slaap verzonken dus ik zag mijn kans schoon. Voorzichtig opende ik de deur van de kast waar de naaimand staat. Meteen een enorme Pavlov-reactie in de vorm van een lodderig open gaand oog. En terwijl ik alleen nog maar mijn rechterarm in de kast liet verdwijnen sprong zij al van de stoel. Ik zag maar van het klusje af.
Kijk dus niet raar op wanneer je ons vanaf nu regelmatig ziet verschijnen met gaten in onze kledij.

27 november
Een maandagochtend net na de spits.
Ik rijd richting het westen de snelweg op.  Als altijd vraag ik me af waarom het fijner is naar Friesland te rijden dan naar Groningen. Is het omdat wij Groningers vaker de weg naar Zwolle kiezen wanneer we afzakken naar het zuiden? Die route kan ik inmiddels immers met de ogen dicht afleggen, al wordt mij dat steevast  verboden door bijrijders. Of is het omdat het in Friesland groener lijkt? Rustiger, met veel meer groen aan beide zijden van de weg.
De zon spiegelt een meertje. Mijn ogen worden als vanzelf getrokken naar witte vlekken op het water. Vreemd, het heeft toch niet gevroren?  Dan zie ik de oplossing van het mysterie. 
Zwanen, wel zeven witte zwanen zwemmen sierlijk majestueus in het water.
En dan te bedenken dat dit me waarschijnlijk ontgaan was als de 130 kilometer-manie al was ingevoerd.

25 november 2011
´Kun je niet een keer iets schrijven over middagmensen?
Een willekeurige vraag van een – naar eigen zeggen- prototype van een middagmens met wie ik al meer dan 18 jaar samenwoon. Een middagmens – ik had er nog nooit van gehoord –is iemand die biologisch gezien het meest tot zijn recht komt in de middaguren.
Verbijsterend nieuws vond ik het, want vraagstelster springt dagelijks uit bed zodra de wekker gaat, draait haar hand niet om voor werkweken van zeventig uur en beantwoordt zonder enig probleem tien werkmailtjes om elf uur ‘s avonds. Ikzelf vind dan het woord workaholic meer op zijn plaats, of, vooruit dan maar, alledagdelenmens.
Desgevraagd en geconfronteerd met bovenstaande feiten claimt zij nu de status van middagmens met uitloop. Als ochtendmens in hart en nieren vind ik het allemaal best, als ik maar op tijd naar bed kan. En nee, sorry, ik kan niets zinnigs schrijven over middagmensen.

23 november 2011

Met een dampende koffiebeker in mijn hand stap ik de coupé in en ga me installeren. Jas ophangen, de koffie en een broodje op het tafeltje, de verse krant en een notitieschriftje met pen ernaast. Dan zet ik mijn tas op de stoel naast me en pak ik mijn portemonnee om nog even te controleren waar ik mijn treinkaartje heb gestopt. Niet bij de pasjes, niet bij de biljetten of het gleufje met visitekaartjes. Mijn hart begint sneller te kloppen. Ik heb toch wel een kaartje gekocht? Snel kijk ik op de stationsklok.Te weinig tijd over om er nog een te halen. Dan zie ik mijn kortingkaart en ineens weet ik het weer. Het nieuwe reizen is even wennen.

21 november
Fietsen door de mist. De hele wereld gewikkeld in een wonderlijke melkwitte wolk.
Alsof ik beland was in een Harry Potter film.
En ineens vroeg ik het me af. Waarom geen omgekeerd hooikoortsbericht op de radio?Vandaag is een uitstekende dag voor mensen met pleinvrees. Wij adviseren u met klem er deze dag op uit te trekken.

18 november

Zomaar een willekeurige wachtruimte.
Mensen staren in gedachten verzonken voor zich uit, kijken af en toe verveeld op hun horloge, bladeren lusteloos in een beduimeld tijdschrift of tikken wat op een mobieltje. Dan verschijnt plotseling een piepjong mensje dat net heeft leren lopen. Waggelend en wiebelend als een pasgeboren kalfje stapt ze vooruit, met een lach waarin de lente doorbreekt de wereld vol trots haar kunsten vertonend.
En voor een moment lijkt alles een beetje op te lichten.

15 november
Zonnig nieuws.
Vandaag las ik in de krant over het Noord-Italiaanse bergdorpje Viganelle. Dit piepkleine gehuchtje ligt ingeklemd tussen de Alpen en kent daarom jaarlijks maar liefst 83 winterdagen lang geen daglicht. Totdat de slimme burgemeester van het dorp er iets op vond. Hij plaatste een gigantische spiegel aan de overkant op een helling en zie daar: er was licht. En zon.
Momenteel ben ik  in onderhandeling over de plaatsing van een spiegel in Menlo Park, Californië, gericht op de universiteitsstad Groningen.  Ik houd de vorderingen bij in dit blog.

14 november 2011
Gaat het over? 
Kan ik ooit nog gewoon een boek lezen zonder dat ik let op een intrigerende beginzin, mooi gekozen metaforen of allitererende wervelende woorden?

12 november 2011
Gisteren kookte ik pompoensoep, zoals ik vaker doe op 11 november. Vanwege de associatie met Halloween denk ik, en uit praktisch oogpunt. Het ongedwongen karakter van soep eten past bij het af en aan naar de deur moeten lopen om naar liedjes over koeienstaarten te luisteren.
Pompoensoep is heerlijk om te eten maar tijdrovend om te maken, al zie je dat niet af aan het eindresultaat. Om die reden kook ik het eigenlijk alleen als ik goed in mijn vel  zit. Het is dus een uitstekende indicator voor mijn gemoedstoestand. Vragen hoe het met me gaat? Compleet overbodig.
´Nog pompoensoep gekookt de laatste tijd?’
´Al maanden niet meer.´
´Ach meid, ik wist niet dat het zo erg was met je. ´
Wij aten de afgelopen weken al een aantal keren pompoensoep, dank voor je belangstelling.

11 november 2011

Leukste nieuwsfeit van vandaag:
11 november is de dag
dat de dyslecticus lezen mag.
Vol bewondering over zoveel inventiviteit las ik vanmorgen het bericht in de krant over een woordblinde grafisch vormgever die een dyslexie-vriendelijke letter ontwikkelde. Woordblinden maken aanzienlijk minder fouten in teksten die gezet zijn in dit lettertype.  
Wat maar weer pleit voor het – waar dat van toepasssing is – altijd betrekken van ervaringsdeskundigen bij op te lossen problemen.

10 november 2011

Met een stofzuigerslang zonder zuigmond sta ik naast het Onderdelenhuis wanneer mijn aandacht getrokken wordt door een wild geraas. En dat terwijl de jaarlijks intocht nog niet eens geweest is. Een gigantische graafmachine sloopt een oud schoolgebouw in de Violenstraat. Enorme grijparmen vagen met dinosaurusachtige schepbekken laag na laag een gebouw vol  geschiedenis van de kaart. Lappen isolatievulling hangen als mislukte slingers in de opengebroken ruimte. Een dichtgemetselde poort is zichtbaar geworden, evenals oude grijs-rood uitgeslagen bakstenen. Weemoedig kijk ik naar de zorgvuldig gemetselde sierpatroontjes in de nog rechtop staande muur, de prachtige grote ramen in Amsterdamse Schoolstijl.
Mag je treuren om het verlies van zo’n stukje stad als je daar anders zonder er verder aandacht aan te schenken langs fietst en zelf in een nieuwbouwhuis woont?

8 november 2011

De seconden worden minuten, de irritatie neemt toe. Er is slechts een beperkt aantal klussen af te handelen met maar één  hand en mijn haren zijn inmiddels droog.
En verder nog: de zeggingskracht van de iedere dertig seconden geuite belofte verliest zijn geruststellende impact naarmate de tijd verstrijkt: ´een moment geduld alstublieft, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen.´

7 november 2011

Met een klap valt het brandganghek achter me in het slot. Ik fiets langs het achter terrein en voorbij  de geparkeerde auto´s de straat in. De deur van de zonnestudio is nog open.  Aan het eind van de straat de ruisende bomen van het plantsoen. Ik sla linksaf bij de vijver aan de Grachtstraat. De geur van vers gemaaid gras komt me tegemoet van de wallekant. Ik kijk naar de losse sprietjes op een groene onderlaag. Dan zie ik haar. Meteen sta ik op de rem en draai me om. Het zal toch niet? Zo ver is ze nog nooit van huis geweest. Die spitse oortjes, dat ranke rossige lijfje, de gestreepte staart. Ik maak een klakgeluidje en ze draait zich om. Vreemde ogen kijken me verstoord aan. En dan herinner ik me hoe ik Ginny achterliet, ineen gekruld slapend op het vloerkleed onder de salontafel.

5 november 2011

Wij bezitten thuis een poes die op een hond lijkt. Ze snelt achter weggemikte proppen papier aan en voetbalt ermee door de kamer. Ze schuift met haar pootjes haar favoriete speeltje – een zeehondknuffel met een lang draadtouwtje om de nek – in onze richting om aan te geven dat er gespeeld moet worden. En dat doen we braaf. Door de zeehond hoog te houden bungelt het draadje in de lucht en kan Ginny zich helemaal uitleven op het touwtje. We geven haar maar haar zin, het blijft tenslotte toch een poes. Poezen zijn nu eenmaal de baas over mensen, daar kun je je maar beter bij neerleggen. Of anders een hond nemen.

3 november 2011
Herfstwandeling in het Noorderplantsoen dat getooid is in herfstkleuren. Meer is niet nodig voor het opkrikken van een slecht humeur of verjagen van een dipje.  En wat fijn dat het bijna niet waait zodat we er dit jaar nog langer van kunnen genieten dan andere jaren. De gebruikelijke warme kleuren in deze periode van het jaar worden als een pronkstuk in een museum extra benadrukt door het zonlicht. Alle tinten in herfstkleur harmonie. Totdat ineens een spierwitte verschijning  in vol ornaat het plaatje verstoord.
Trouwen, prima hoor, maar kies dan een ander seizoen.

1 november  2011

Wat kun je allemaal doen met een blog?
Deze vraag hield me de afgelopen week  bezig nu ik nadenk over mijn eigen web-site.  Diverse suggesties passeerden de revue en verdwenen even zo makkelijk omdat ze uiteindelijk toch niet werkbaar bleken. Wat te denken van de eerste opwelling:
Dit is een protestblog! Actie, harde actie, met het blog als spandoek en pacifistisch wapen tegelijk. Actie tegen de verhufterisering, de grofheid, en de stuitende onbeschoftheid die in Nederland steeds gewoner dreigt te worden. En waar ik me steeds vaker over opwind en briesend over uitlaat door het benoemen van nieuwe afschrikwekkende voorbeelden. En ineens dacht ik: dit moet stoppen. Wie of wat wordt daar beter van?  Dus vanaf nu geen gezeur en geklaag meer, slechts harde, positieve actie. Domweg gelukkig in Nederland, vrij naar J.C. Bloem. Dus beschrijf ik in dit blog de schoonheid tussen het vuil, de vriendelijkheid naast de onwil en de roos op het prikkeldraad.